Dirk van Hinloopen Labberton

Geslacht: Man
Vader: Richard van Hinloopen Labberton
Moeder: Regina Hinke van Assen
Geboren: 24 Sept 1874 Doesburg
Overleden: 9 Mrt 1961 Ojai, Californië
Beroep: oriëntalist en theosoof
Aantekeningen: Dirk van Hinloopen Labberton deed in 1893 eindexamen aan de HBS in Arnhem. Het jaar daarop vertrok hij naar Nederlands-Indië, waar hij een opleiding volgde op het proefstation voor de suikerindustrie te Pasoeroean. In 1895 werd hij aangesteld als chemisch analist op de suikerfabriek Gajam, en in 1896 als fabricatiechef van de suikerfabriek Sempal-Wadak, beide op Oost-Java. Van Hinloopen Labberton maakte zich een grote kennis van de suikerindustrie eigen. Tevens hield hij zich bezig met de studie van het Maleis en het Javaans, en de land- en volkenkunde van de archipel, in het bijzonder die van Java. In 1898 behaalde hij het grootambtenaarsexamen, dat toegang verschafte tot hogere betrekkingen bij het gouvernement. Een jaar later volgde zijn benoeming tot commies bij de Algemeene Secretarie.
In zijn vrije tijd zette Van Hinloopen Labberton zijn studies voort. Dit leidde uiteindelijk tot zijn aanstelling, van 1904 tot 1913, als leraar Javaans, later ook Maleis, aan de afdeling Indische Taal-, Land- en Volkenkunde van het Gymnasium Willem III te Batavia. Gedurende deze jaren publiceerde hij veel en verzorgde hij onder andere een aantal Javaanse tekstedities. Ook het Sanskriet had zijn aandacht, wat samenhing met zijn theosofische belangstelling voor de Indiase cultuur en geesteswereld. Zo verschenen in 1914 van hem: Het Heilandslied. Eene metrische vertaling van Sjriemad Bhagawad-Gietaa naar het Sanskrtaorigineel en Het Sanskrtam voor Hollanders verklaard. Een eenvoudige spraakleer van de gewijde taal der Aaryaas . Zijn brede kennis en zijn publicistische en educatieve activiteiten bezorgden Van Hinloopen Labberton een benoeming tot gedelegeerd lid van de Nederlandsch-Indische Commissie voor de Wereldtentoonstelling te Brussel in 1909/1910. In dit verband redigeerde hij in 1910 het Geïllustreerd handboek van Insulinde... . Tevens was Van Hinloopen Labberton enige jaren redacteur van het Tijdschrift voor Indische taal-, land- en volkenkunde en de Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van kunsten en wetenschappen .
In 1913 werd de 'afdeling B' van het Gymnasium Willem III, waar bestuursambtenaren werden opgeleid, opgeheven. Voor Van Hinloopen Labberton volgde toen, van 1914 tot 1916, een leraarschap in de Maleise taal bij de Bestuursschool te Batavia. Vanaf 1918 tot aan zijn zelf aangevraagd, eervol ontslag in 1922 stond hij ter beschikking van de directeur van het departement van Binnenlandsch Bestuur, onder meer voor werkzaamheden bij het Encyclopaedisch Bureau.
Deze laatste betrekking gaf Van Hinloopen Labberton meer tijd om zich met politieke activiteiten bezig te houden. Vanaf de eeuwwisseling was hij zich namelijk gaan manifesteren als een enthousiast 'ethisch' hervormer. Als voortvarend bestuurslid en later voorzitter van de Nederlandsch-Indische Afdeeling van de Theosofische Vereeniging, waarbij hij zich ongeveer terzelfder tijd had aangesloten, kwam Van Hinloopen Labberton in aanraking met R. Soetomo en andere voormannen van de in 1908 opgerichte Javaanse culturele, later nationalistische beweging Boedi Oetomo, die gevoelig waren voor deze geestelijk-religieuze richting. Geïnspireerd door de denkbeelden en het voorbeeld van de theosofische leidster in Groot-Brittannië en Brits-Indië, Annie Besant, en gegrepen door de idee van de broederschap der mensheid kwam Van Hinloopen Labberton ertoe het Indonesisch emancipatiestreven te steunen. Overal waar er serieus naar politieke samenwerking tussen Indonesiërs en Europeanen werd gestreefd, was Van Hinloopen Labberton present. Hij wist zich zelfs aanvaardbaar te maken in de engere kring van leiders van de nationalistisch-Indonesische beweging van de Centraal Sarekat Islam, waar hij als 'broeder' werd beschouwd. Vooral de nationalistische voorman Abdoel Moeis onderging zijn invloed.
Beiden, Abdoel Moeis en Van Hinloopen Labberton, waren in 1916, onder de toenmalige oorlogsomstandigheden van het neutrale Nederlands-Indië, voorstanders van een versterkte defensie van de kolonie. Zij gaven dan ook hun steun aan de campagne die de naam kreeg van 'Indië Weerbaar'. De mogelijkheid van een 'Inlandse militie' was voor bepaalde nationalisten des te aantrekkelijker omdat men dacht in ruil voor medewerking democratiseringseisen te kunnen stellen; eisen die verder gingen dan die welke in de plannen voor een Nederlands-Indische Volksraad door regeringskringen in Den Haag en Batavia leken te zullen worden ingewilligd. In augustus 1916 namen nationalistische partijvertegenwoordigers in Batavia een 'Indië Weerbaar'-motie aan, die in maart van het daaropvolgende jaar door een deputatie van leden van Boedi Oetomo, de Sarekat Islam, de Regentenbond en de vier Prinsenbonden uit de Vorstenlanden in Den Haag aan de Koningin werd aangeboden. Van Hinloopen Labberton, daartoe aangewezen door gouverneur-generaal J.P. graaf van Limburg Stirum, trad als 'geleider' van deze deputatie op.
Tijdens de politieke voorbereidingen van de Volksraadverkiezingen in 1917 richtte Van Hinloopen Labberton in Batavia de kiesvereniging 'Melajoe' op, die zich sterk maakte voor de nauwe 'associatie' tussen alle bevolkingsgroepen in Indië. Dit initiatief kwam echter niet van de grond. Wel gelukte het Van Hinloopen Labberton in januari 1918 tot lid van de Volksraad voor de Nederlandsch-Indische Vrijzinnige Bond te worden gekozen. Ter gelegenheid van de opening van de eerste vergadering van de Volksraad stelde hij voor, opnieuw blijkgevend van zijn intense belangstelling voor de Javaanse cultuur, een studiebijeenkomst te organiseren, wat ten slotte zou uitlopen op een congres over Javaanse cultuurontwikkeling, dat begin juli 1918 te Soerakarta werd gehouden. Dit evenement sloeg zozeer aan dat het onder meer de aanleiding vormde tot de oprichting van het Java-Instituut in 1919.
In de eerste Volksraad (1918-1922) toonde Van Hinloopen Labberton zich een krachtig voorstander van verdere democratisering in de richting van een parlement. Teleurgesteld door de afwijzing van de hervormingsvoorstellen van de commissie-Carpentier Alting sloot hij zich aan bij het in december 1921 opgerichte Comité voor autonomie van Indië, dat onder zware druk van de regering ten slotte alleen nog maar uit enkele radicalen bestond, gesteund door de Indische Sociaal-Democratische Partij, de Sarekat Hindia en de Sarekat Islam. In een politiek klimaat dat steeds sterker conservatieve trekken kreeg, geraakte hij zelfs geheel in het isolement, en verbitterd volgde in 1922 in een aantal artikelen in Darma Kondo , het blad van Boedi Oetomo, zijn afscheid van het koloniale toneel.
Intussen had de kennismaking met Japan, tijdens de terugreis van de 'Indië Weerbaar'-deputatie in 1917, Van Hinloopen Labbertons belangstelling gewekt voor de taal en geschiedenis van dit land. Van een Europees verlof in 1921 maakte hij gebruik om zich in Leiden en Parijs de beginselen van het Japans eigen te maken. Na terugkeer in Indië nam hij ontslag ten einde zich geheel aan de studie van het Japans te wijden. Deze studie zette hij vervolgens een jaar lang voort in Sydney. Daar ontving Van Hinloopen Labberton het aanbod van de Nederlandse regering om in Japan een leerstoel te bekleden. Van 1923 tot 1925 doceerde Van Hinloopen Labberton aan de Keizerlijke Universiteit te Tokio Nederlands, alsmede Maleis, Javaans en Sanskriet. In mei 1926 in Nederland teruggekeerd, legde hij op 13 januari 1927 het taalkundig doctoraal examen van de Indologische studie af aan de Rijksuniversiteit te Leiden, en op 3 juni 1929 het doctoraal examen geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. In de hoofdstad promoveerde hij ook op 26 maart 1931 bij H. Brugmans, hoogleraar in de algemene geschiedenis, op het proefschrift De Angelsaksische Witena-Gemot en Magna Carta Libertatum. De middeleeuwsche oorsprong en geschiedenis van het parlementaire stelsel .
In december 1927 was Van Hinloopen Labberton een van de oprichters van het 'Theosofisch Lyceum in Naerdinclant' in de villa 'Draphna' te Naarden. Als rector en docent in verschillende vakken zou hij hieraan tot 1937 verbonden blijven. Een jaar eerder was hij reeds, waarschijnlijk mede in verband met het omstreden gedrag van zijn enige zoon, naar de Verenigde Staten gegaan. Hij vestigde zich in het plaatsje Ojai, ten noorden van Los Angeles, waar zich een belangrijk opleidings- en studiecentrum, het Krotona Institute of Theosophy, bevond. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verrichtte hij diensten voor de Amerikaanse federale inlichtingendienst, de FBI, en het Nederlandse consulaat in Los Angeles door het vertalen van documenten uit het Japans. Zijn oude dag bracht hij door in Taormina, de speciaal voor oudere, eminente theosofen bestemde buitenwijk van Ojai.
Van Hinloopen Labberton was geen gemakkelijk mens. Koel en afstandelijk, legde hij in zijn optreden steeds een grote eigenzinnigheid aan de dag, die maar al te vaak ontaardde in betweterij. Hij was ongetwijfeld taalkundig zeer begaafd: telkens wist hij zich in korte tijd een nieuwe taal eigen te maken. Tevens bezat hij, door zijn fotografisch geheugen, een zeer grote kennis op het gebied van de land- en volkenkunde en de geschiedenis. In vakkringen stond men enigszins sceptisch tegenover Van Hinloopen Labbertons wetenschappelijke geschriften, omdat hij de neiging had te veel zaken uit verschillende disciplines op een nogal speculatieve wijze met elkaar in verband te brengen.
A: Het manuscript van een, waarschijnlijk door D. van Hinloopen Labberton zelf opgestelde, korte levensschets (tot omstreeks 1934) is in particulier bezit.
P: Naast de in de tekst genoemde publikaties en verschillende bewerkingen van Javaanse teksten o.a.: 'Invloed van de suikerfabriek op hare omgeving', in Tijdschrift voor nijverheid en landbouw in Nederlandsch-Indië 77 (juli 1908) 1-120; Register op de artikelen voorkomende in het Tijdschrift voor Indische taal-, land- en volkenkunde en de Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap... tot 1907.. (Batavia [etc.], 1908); Theosofie in verband met Boedi-Oetomo. Lezing... (Batavia, 1909); Education in Netherlands East India (Semarang [etc.], 1914); 'De invoering van eene militie in Indië, welke rekening houdt met het karakter van den inlander en de stroomingen in de inlandsche maatschappij', in Orgaan der vereeniging ter beoefening van de krijgswetenschap (1916/1917) 579-594; 'Bijdrage tot het vraagstuk der Javaansche cultuurontwikkeling', in Congres voor Javaansche cultuur-ontwikkeling. Prae-adviezen II (Semarang [1918]) 1-13; Dictionaire de termes de droit coutumier indonésien ('s-Gravenhage, 1934).
L: 'D. van Hinloopen Labberton', in De Hollandsche Revue 22 (1917) 265-272; De Volksraad en de staatkundige ontwikkeling van Nederlands-Indië. Een bronnenpublikatie. Eerste stuk 1891-1926 . Bew. door S.L. van der Wal (Groningen, 1964); A. Nagazumi, The dawn of Indonesian nationalism. The early years of the Budi Utomo, 1908-1918 (Tokio, 1972); De ontwikkeling van de nationalistische beweging in Nederlandsch-Indië. Bronnenpublikatie . I: 1917-medio 1923 . Bew. door R.C. Kwantes (Groningen, 1975); Socialisme in Indonesië. De Indische Sociaal-Democratische Vereeniging 1897-1917. Bronnenpublikatie I. Bew. en ingel. door F. Tichelman (Dordrecht, 1985).
F. Tichelman
Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013

Gezin 1

Huwelijkspartner: Frédérique Henriette Jacoba van Motman geb. 12 Aug 1875
Huwelijk: 31 Okt 1901 Buitenzorg