Christina Ligtenberg

Geslacht: Vrouw
Vader: Franciscus Henricus Petrus Ligtenberg
Moeder: Jacoba Christina de la Lande Cremer
Geboren: 29 Aug 1878 Bolsward
Overleden: 12 Dec 1965 Den Haag
Religie: Doopsgezind
Aantekeningen: Chrisje Ligtenberg, zoals zij de eerste dertig jaren van haar leven genoemd werd, was van afstamming niet geheel de Friezin, die zij zich altijd gevoeld heeft. Haar vader kwam uit Den Haag, waar zijn vader, Franciscus L., secretaris en kassier van Willem III was geweest. Toen de zoon, Franciscus Henricus Petrus, als ontvanger van belastingen te Bolsward benoemd, daar, vijfendertig-jarig, in 1873 de kleindochter van burgemeester Fockens, Jacoba de la Lande Cremer, trouwde, was dat een daad, die de friese opvoeding van zijn in de volgende jaren geboren kinderen bepaald heeft.
Acht jaren na zijn huwelijk verliet hij Bolsward met zijn gezin, om inspecteur te worden in Leeuwarden. Of zijn terugkeer, in Oktober 1882 naar Den Haag, een promotie was, of een gevolg van de slopende ziekte, waaraan hij aldaar in 1884 overleed, is niet bekend. Ook zijn vrouw was toen al door de tuberculose aangetast, en in Januari 1885 vinden wij het dan 6-jarige Chrisje terug in Bolsward, bij de begrafenis van haar moeder, met eén oudere zuster, eén oudere, en eén jongere broer.
Daar werden zij opgenomen in het gezin van de grootouders De la Lande Cremer. De oudste zoon, Jacobus, werd, via het gymnasium in Sneek, en een of meer jaar Hogere Landbouwschool in Wageningen, Delfts ingenieur; de meisjes werden-natuurlijk, in die jaren!-voor de Kweekschool klaargemaakt. De jongste zoon, Franciscus, is, 10 jaar oud, in 1890 in Bolsward overleden.
De kinderjaren in Bolsward hebben voor Chrisje Ligtenberg ontzaggelijk veel betekend. Zij heeft ze herdacht, op allerlei leeftijden, het uitvoerigst in Bolswards Nieuwsblad van 20 Juli 1954 en 28 Jan. en 1 Febr. '55. Zij is in het stadje gebleven tot haar dertiende of veertiende jaar. Het oudere zusje was haar al voorgegaan naar de bekende Nutskweekschool voor Onderwijzeressen te Haarlem. Christina evenwel ging, uit de tweede klasse van die kweekschool, met een half jaar privaatlessen in Latijn en Grieks van de rector Hoffman, en wat wiskunde, in 1894 over naar het gymnasium. Zij kwam daar in de derde klas en deed er in 1898 eindexamen. Haar leraar in Nederlands en Geschiedenis was van 1895 af Dr. J.B. Schepers. Schepers' lessen waren aan haar besteed. Zij leerde door hem de Nieuwe Gidsers kennen. En hij kwam ook uit Friesland! Maurits Esser (Gerard van Eckeren) was een klasgenoot.
In haar laatste schooljaar zond zij zelf een paar schetsjes in bij ‘Het jonge volkje’, het kinderblad van Nellie van Kol, de vrouw van het eerste socialistische Eerste-Kamerlid, en het was geen wonder dat zij, voortgekomen uit de kring van Bolswarder ‘aristocratische democraten’, in haar Amsterdamse studententijd lid werd van het ‘Socialistisch Leesgezelschap’, en in ‘Propria Cures’ meedeed aan een door Van Eeden ontketend debat over het socialisme. Van haar eigen professoren: Te Winkel, Kan, Rogge, Bellaar Spruyt en Kernkamp, was de historicus de nieuwe richting toegedaan, en hem koos zij dan ook als promotor, ook al verliet hij na 2 jaar Amsterdam al voor Utrecht. Onder de studievrienden in Amsterdam was een der trouwste H.E. van Gelder, die zij in 1927 in Den Haag terugvond als directeur van de gemeentelijke musea.
Maar de promotie en al het overige lagen nog ver in het verschiet, toen zij, na haar doctoraal, in 1903 aangesteld werd als lerares in het Nederlands, aan de Meisjes-H.B.S. te Leiden. Zij bleek met het les-geven geen moeite te hebben. Onder haar collega's was er eén, van wie zij veel hield, Elize van Kaathoven, lerares Frans, nicht van de schilder Floris Verster, en vriendin van Henriette Roland Holst-Van der Schalk. Ook met de lerares Duits, Ida Oort, de latere echtgenote van prof. Chr. Snouck Hurgronje, was zij bevriend. Onder de leerlingen van haar tweede jaar telde zij twee dochters van Albert Verwey, een jaar daarna de derde, en er waren vele meisjes uit intellectuele en artistieke gezinnen, die ook zelf later studeerden of de middelbare talen-acten haalden. Uiteraard ontstond een vriendschap met verschillende van hen pas, nadat zij de school verlaten hadden. Een zuster van de architect Van der Kloot Meyburg zat in de vierde of vijfde klasse, en werd al gauw in de vriendenkring van Chris Ligtenberg opgenomen, maar dit begaafde meisje stierf jong.
‘Chrisje’, zoals ook de leerlingen haar onder elkaar noemden - zij zag er altijd veel jonger uit dan zij was - werd door de minder intelligente kinderen ‘kattig’ gevonden. Dit duidt al aan, dat zij strijdbaar was, en zich niet door leerlingen liet beetnemen. Zij leerde ons niet alleen Nederlands schrijven, maar ook spreken. In de vierde klas liet zij eens in de week een meisje vijf minuten plaats nemen op haar podium, en zonder papier, of met aantekeningen, spreken over een zelfgekozen onderwerp. Daarna werd gedebatteerd. Ook leerde zij ons in die klas dictaat houden, dit wil zeggen, zij dicteerde niet, maar sprak, over de middelnederlandse letterkunde. Dat aan mij, die toen al aan de studie in de Nederlandse Letteren dacht, haar lessen goed besteed waren, spreekt vanzelf. Toen ik aan het eind van de vierde klas afscheid nam van de school, om voor de vijfde gymn. klaargemaakt te worden, kon zij met mij ook op een andere voet komen. Zij woonde aan het Utrechts Jaagpad (nr. 19), dat evenwijdig aan de Hoge Rijndijk liep; ik heb daar enige malen bij haar koffie gedronken, als ik voor lessen in de stad was. Er waren daar twee gelijke huizen: in het ene woonde toen Chris Ligtenberg, met de ongetrouwde tante Livia de la Lande Cremer, die voor hen beiden de huishouding voerde; in het andere de schilder Maurits van der Valk met vrouw en zoon. Toen, in 1910, de dames naar Rotterdam vertrokken, werden Jan en Mien de Gelder-Jansen de buren van de schilder. ‘Ze hadden er een mooie tuin aangelegd’, zegt de nu negentig-jarige Dr. de Gelder. Haar artistieke smaak: in kleding, woninginrichting en -versiering, tuinaanleg, was zeker niet de geringste van C.L.'s eigenschappen.
Zij en ik zijn na zo'n lunch ook eens met de tram naar Katwijk gegaan, en langs het strand naar Noordwijk gewandeld. Zij maakte daar even kennis met mijn ouders, maar wilde niet blijven mee-eten, en het is de enige keer, dat ik Chris Ligtenberg ‘verlegen’ heb gezien. Zij had dolgraag ‘ja’ gezegd, maar ‘er wordt op mij gewacht’. Trams ginggen eens in de twee uur en telefoon was er nog niet. Een kleine anecdote uit de les voeg ik hier in. (Mijn levensbericht gaat bedenkelijk veel op Leidse Herinneringen lijken!)
Zij liet ons veel verzen uit het hoofd leren, en het was in de eerste klas. Ik was dus twaalf of dertien jaar. Mijn vader hield er niet van, dat wij verzen van hem in 't publiek brachten, zelfs zijn ‘Kinderversjes’ niet. Ook vond hij mij te jong voor andere Tachtiger-verzen - die op school in de lagere klassen ook nog niet behandeld werden - en dus gaf hij ons enige delen Beets, om daarin te grasduinen. Nadat ik een humoristisch vers ‘Boerenjongen, uit het dakvenster liggende, spreekt: ...’ met succes had voorgedragen, wilde ik wel iets anders dan Beets. Mijn vader had juist de tweede druk, ter bespreking voor het Tweemaandelijks Tijdschrift, ontvangen van Pol de Mont's ‘Noord-en Zuid-Nederlandse dichters’, en gaf mij die bloemlezing. Een vers van Gezelle deed het goed. Maar toen koos ik ‘Mijn haat’ van Hélène Swarth:
‘Ik was met mijn Haat door het leven gegaan
Een mantel van purper had zij aan,
tot het einde:
‘Toen sprak zij: ‘En hebt gij dat nooit verstaan?
Ge zijt met uw liefde door 't leven gegaan.’
Toen ik dit gedicht opgezegd had, vroeg Chris Ligtenberg mij, waarom ik het gekozen had? lk antwoordde: ‘Omdat ik het mooi vond’. En daarop zij weer: ‘Het is nog wat te moeilijk voor je’ en zij herhaalde de laatste regel met de nadruk, die mij ontbroken had. Ze had moeite zich goed te houden, en we hebben het na haar tachtigste in brieven nog eens opgehaald, en toen samen gelachen: ‘Twaalf jaar oud, en ‘‘ik was met mijn haat door het leven gegaan’’, welja!’ Maar ze gaf mij toch een goed cijfer, geloof ik.
Tijdens de cursus 1907/08 kreeg Chr. Ligtenberg studieverlof, om haar proefschrift te kunnen voltooien. Zij werd dat jaar aan de school vervangen door een andere Friezin, Dr. Dieuwke Gaastra. Op 10 juni 1908 had te Utrecht haar promotie plaats, en ik herinner mij goed hoe wij, toen zij zich vóór de zomervacantie op het recreatie-plein van de Meisjes-H.B.S. vertoonde, op instigatie van Lize van Kaathoven, een rondedans om haar uitvoerden.
Het omvangrijke werk ‘De armenzorg te Leiden tot het einde van de 16e eeuw’, was niet alleen als historisch onderzoek en overzicht merkwaardig. Hier was een jonge vrouw, met sterk moreel en sociaal en religieus gevoel, ook met zin voor humor begaafd, erin geslaagd, uit die duizenden getallen van rekeningen en raadsverslagen van en over de Leidse gasthuizen, vondelingen- en leprooshuis; van de huiszittenmeesters, enz. een levendig beeld op te roepen van het bestaan van de middeleeuwse armen in haar woonplaats. Dat gemakkelijk omgaan met cijfers in rekeningen en statistieken zal zij wel aan haar vader en grootvader Ligtenberg te danken hebben gehad, maar daarmee is niet alles gezegd. ‘Dit is een rijk boek, rijk aan onwankelbaar vaststaande feiten, waaruit de geschiedenis der middeleeuwsche armenzorg, te Leiden in het bizonder, hecht en stevig is opgebouwd,...’ begint de meest competente van haar beoordelaars, Dr. J. Prinsen, de ontdekker van Jan van Hout, zijn uitvoerige bespreking in ‘De Beweging’ van November 1908. En hij was nog wel door haar aangevallen, ook in een van haar stellingen, omdat hij het auteurschap van het bekende Rapport van 1577 over de Leidse armenzorg aan Van Hout had toegeschreven. Of die polemiek en later onderzoek tot een vaststaande beslissing inzake dat auteurschap hebben geleid, weet ik niet.
Opvallend is ook het gebruik van de vereenvoudigde spelling, wat toen ‘de spelling Kollewijn’ heette, en die in haar gebruik radicaler was dan wat wij nu hebben. ‘Armezorg, eksekuteurs, aksijns, fatsoenlik’, enz. schrijft zij, terwijl ze toch in de klas de spelling De Vries en Te Winkel onderwees en toepaste, zonder ooit voor de nieuwe propaganda te maken.
Een zo tijdrovende studie als haar proefschrift heeft Dr. Chr. Ligtenberg later nooit meer geschreven, maar daarin is zij niet de enige! Onder haar vierentwintig stellingen zijn er zes, die op de patriotten betrekking hebben. Daarop kom ik terug.
De dissertatie bezorgde haar het judicium ‘cum laude’ van de faculteit, een ongestoorde en stimulerende vacantie in Duitsland, de zeer lovende recensie's van vakgenoten en andere lezers, en het lidmaatschap van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde. Al die verworvenheden zijn van invloed geweest op haar leven en op haar werk. In Duitsland bezocht zij namelijk de internationale vacantiecursussen voor filosofie en paedagogiek te Jena, misschien in gezelschap van Ida Oort, die in ieder geval haar ‘Gaat naar Jena!’ in het Duits heeft vertaald. Met haar verslag ervan trad zij in debat met de bekende paedagoog, die later de eerste leerstoel in dat vak bezette, Dr. J.H. Gunning, die in het juninummer van ‘School en Leven’ 1908 een negatieve oproep: ‘Gaat niet naar Jena!’ gepubliceerd had. Met haar verklaring, in een nederlands en een duits vakblad gepubliceerd, moet zij de aandacht hebben getrokken van de jonge leraar in de duitse taal en letterkunde, Hendrik Willem Jan Kroes, met wie zij het volgend jaar persoonlijk kennis maakte. ‘Ik leerde mijn man eind 1909 op een leraarsvergadering kennen, in de Paasvacantie kwam de tweede ontmoeting op een philologencongres, (waar zij tot de sprekers behoorde, zie Bibliografie! M.N.-V.) 10 Mei verloofden we ons en 11 Aug. zijn we getrouwd ...’ Kroes had in 1909 Heerenveen voor Rotterdam opgegeven. Hij was vijf jaar jonger dan zij, had evenals zij, zijn kinderjaren in een noordelijke provinciestad doorgebracht, en hij gaf zich met hart en ziel aan het onderwijs en aan zijn studie. Zij nam afscheid van Leiden en volgde hem naar de grote stad, waar ook tante Livia zich vestigde.
Door dit huwelijk, en de kinderen, die eruit geboren werden, moest het wetenschappelijk archiefwerk van de historica voorlopig op de achtergrond raken, en gaandeweg wijken voor de opvoedingspraktijk. Allereerst die van haar eigen drietal. Maar het schrijven van boekbesprekingen
en het meewerken aan tentoonstellingen, onder andere die over ‘Het kind’ en ‘Kinderspeelgoed’ en dergelijke ging door. Ook aan de inrichting en beschrijving van de tentoonstelling ‘De Vrouw 1813-1913’ had zij een werkzaam aandeel. De oorlog 1914-1918 beperkte haar activiteiten op dat gebied. Daarna zijn haar kleuters, de twee meisjes en de ene jongen schoolgaand geworden, en geeft zij degelijke, op eigen ervaring en lectuur gegronde artikelen over ‘Waarheid en leugen in de eerste kinderjaren’, ‘Over de kinderfantasie’, ‘Fröbel en Montessori’, ‘Ligthart en Montessori’, en behoort in 1919/'20 tot de oprichters van de ‘Rotterdamse School voor leraressen in de kinderverzorging en opvoeding’. Aan die school heeft zij drieëntwintig jaar lang de theorie en praktijk van het lesgeven gedoceerd en zij schreef trouw in het 2-maandelijks contactblad. Een door haar samengestelde bundel ‘Honderd nederlandsche gedichten’ is, tussen 1919 en '51, zeven maal herdrukt. Ook aan het culturele leven, zoals dat in de Rotterdamse Kunstkring tot uiting kwam, namen zij en haar man levendig deel, zij zelfs een tijd lang als secretaresse. Hun kennismaking met Dirk Nijland, die toen in Rhoon woonde, dateerde uit die tijd.
In 1927 werd Kroes leraar aan het tweede gymnasium in Den Haag, waar hij al sinds 1924 docent aan de School voor Taal- en Letterkunde was. De familie verhuisde dus naar die stad, Mesdagstraat 61, en is daar ook gebleven na 1946, toen de man en vader het hoogleraarschap in de Germaanse Taal- en Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam aanvaard had. Aan de bijdragen van Chris Kroes sinds 1925 in ‘Gezin en school’, ‘Tijdschrift voor Ervaringsopvoedkunde’ en andere is het te merken, dat haar kinderen nu de middelbare school bezoeken of die achter zich hebben.
Maar ik heb ook gesproken over haar lidmaatschap van ‘Letterkunde’. Meer dan 50 jaar lang is zij lid geweest. Dit inspireerde en dwong haar, als historica wetenschappelijk werkzaam te blijven. Weliswaar had dit historisch onderzoek een psychologische inslag gekregen, en richtte zich dus op de biografie, maar de archiefstudie was haar lief, en zij had door de Leidse Armenzorg een voorbeeldige routine gekregen. Bovendien was zij in het bezit gekomen van het archief van haar moeders familie, de la Lande Cremer.
Haar eerste lezing voor De Maatschappij stond nog in het teken van de paedagogiek: ‘Het jeugddagboek van Marie Bashkirtseff, na vijftig jaar aan andere getoetst.’ Juist die vergelijking met andere dagboeken
van jong-gestorvenen, Otto Braun bij voorbeeld, hief deze bespreking op een wetenschappelijk plan. Het onderzoek van het familie-archief voerde haar terug naar haar friese kindertijd, naar de doopsgezinde kring in Bolsward, en naar de patriottentijd. Een lezing, voor de Maatschappij gehouden, verscheen als ‘Een vriend van Aagje Deken’ in ‘De Gids’, jg. 1942, Febr. en Maart. Die vriend was Jacobus de la Lande Cremer, haar bet-overgrootvader. Een andere lezing werd uitgebreid tot een boekje, dat in 1952 bij A.J. Osinga in Bolsward verscheen: ‘Joost en Eeltje Halbertsma in Bolsward’. Zowel de vriend van Aagje Deken als Eeltje Halbertsma (getrouwd met een zuster van haar grootmoeder Fockens) had zij uit het familie-archief leren kennen. Ook de stukken, in 1953 in ‘De vrije Fries’ en ‘De nieuwe Stem’ verschenen ‘Wopke Cnoop, een Friese patriot’, en ‘Hollandse patriotten op het Château de Watte’ dankten hun ontstaan aan familiepapieren. Tot een boek ‘Dr. Wybo Fijnje 1750-1809. Belevenissen van een journalist in de patriottentijd’ leidde dan weer een historische studie, waarin de brieven van Emilie Luzac, de eerste vrouw van Wybo Fijnje, een belangrijke plaats innemen, en waardoor deze veelbesproken Wiebe in zijn eer hersteld werd. Dit werk, in 1957 bij van Gorcum in Assen verschenen, is haar laatste gedrukte boek geweest.
Maar gestencild is nog door haar dochters in de vriendenkring verspreid: ‘Moeders Dagboek’. Het zijn de gebundelde brieven, tijdens de laatste oorlogswinter geschreven aan haar tweede, toen getrouwde, dochter in Lochem. Van de 1200, bij het Instituut voor Oorlogsdocumentatie ingekomen particuliere dagboeken, zal het over die maanden een van de meest waardevolle zijn. Ieder dagbericht begint systematisch met de temperatuur, de windrichting, bewolking, zo belangrijk in de maanden, dat de Duitsers uit en om de ‘vesting’ Den Haag hun afstandsraketten op geallieerde doelen richtten, en vermeldt dan alle lotgevallen van huis en buurt, waarbij het verkrijgen van voedsel en brandstof, het leven met het steeds dreigend gevaar van ontploffing, en de geruchten uit de bevrijde gebieden enz. nauwkeurig zijn geregistreerd. Er wordt melding in gemaakt van de bevrijding van het Westen, maar ook van het bittere leed om het verlies van de enige zoon, Mr. in de rechten, die, veilig langs de ontsnappingsroute door België en Frankrijk naar Spanje gekomen, bij zijn poging een engels oorlogsschip op de rede van Gibraltar te bereiken, verdronken is. Dit was al op 2 of 3 juni 1942 gebeurd, maar de ongelukstijding bereikte de ouders pas na de bevrijding. ‘Hoe
was ik deze jaren doorgekomen zonder de hoop op een terugkeer van Henk op de achtergrond? Het is dan illusie geweest.’ schrijft zij op 23 mei 1945 in haar laatste brief. En de vrome doopsgezinde komt naar voren in de laatste zin: ‘Het zou een tè groot geluk zijn geweest misschien, als Henk ons ook nog was teruggeschonken.’
Het eerste kleinkind in Lochem, en de benoeming van haar man in Amsterdam hebben haar niet toegelaten bij de pakken neer te zitten. In 1946 benoemd, heeft hij, - en ook zij, als professorsvrouw! - het vermoeiende heen-en-weer-reizen, tot 1955 volgehouden. Na zijn pensionering werd het tijd, het grote huis in de Mesdagstraat te verlaten. Het duurde evenwel nog tot 1961, vóór het paar een aangenaam onderkomen vond in het nieuw-gebouwde, doopsgezinde bejaarden-tehuis ‘Oldeslo’ aan de Maurits de Brauwweg in Scheveningen. Voor beiden was het werk toen afgelopen: ouderdomskwalen deden zich gelden. Reeds een jaar later stierf de oud-hoogleraar, in December 1965 Christina Kroes Ligtenberg.
Bij de crematie in Driehuis heeft haar oudste dochter, de psychologe Drs. J.C. Kroes, een kort overzicht over het leven van haar moeder gegeven. ‘Moeder kon voortreffelijk organiseren, en had altijd goede hulp’, getuigde zij. En ik voeg daaraan toe, met een uitdrukking, door wijlen prof. Henk Kraemer betreffende zijn collega Th. Pigeaud gebezigd: ‘(Haar) wetenschappelijke administratie was zo goed.’ Haar dochter heeft mij ook geholpen met het aanwezige bibliografische materiaal, zoals het keurig door haar moeder, in haar voorlaatste levensjaren, verzameld was. Haar ordelijke en omvattende aard verdroeg niet, dat er rommel zou achterblijven. Als schrijfster van dit beknopte levensbericht mag ik haar nagedachtenis daarvoor wel extra dankbaar zijn.
M. NIJLAND-VERWEY
Bibliografie
1900 ‘Een handvol korrels.’ Ons Blaadje, uitg. Nellie van Kol, 4de Jg., blz. 393.
1900 ‘Jacob's Kerstfeest’. Idem 5de Jg., blz. 139.
1900 ‘De lezing van S.L.’ (door Fred. van Eeden). Propria Cures, 12de Jg. Nov.
1900 ‘Geachte Redactie’ (ingezonden). Propria Cures, 13de Jg. Nov.
1901 ‘Mijnheer de Redacteur’ (ingezonden). Propria Cures, 13de Jg. Nov.
1905 Boekbeoordeling: L. Leopold, Nederlandsche schrijvers en schrijfsters. 4de druk. Weekblad voor Gymnasiaal en Middelbaar Onderwijs. II. blz. 377. 14 Dec.
1905 ‘Een oud boekje over opvoeding’. De vrouw, Jg. XII. 28 Jan.
1906 ‘De Spelling.’ Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant van 16/17 Sept. 1906. Nr. 219.
1906 ‘Kind en kunst’. Weekblad voor Gymnasiaal en Middelbaar Onderwijs. 2de Jg., 25 Jan. 1906.
1908 De Armezorg te Leiden tot het einde van de 16e eeuw. Akademisch Proefschrift. Nijhoff, Den Haag, 1908.
1908 ‘Gaat naar Jena!’ School en Leven, 10de Jg. 10 Sept. 1908. Een vertaling hiervan (Duits van Ida Oort): ‘Geht nach Jena!’ in Zeitschrift für Philosophie und Pädagogik, Jg. XVI, blz. 146. Langensalza 1909.
1909 ‘Bibliografie van de Spellingskwestie’. De Boekzaal, 3de Jg., blz. 43.
1909 ‘Naar aanleiding van ons gebrek aan praktische opleiding.’ Weekblad voor Gymnasiaal en Middelbaar Onderwijs. 6de Jg., blz. 303. 18 Nov.
1909 ‘De plaats van de Middelbare Meisjesschool in de organisatie van het onderwijs.’ Weekblad voor Gymnasiaal en Middelbaar Onderwijs, 5de Jg. blz. 906, 1167, 1340 en 1504. (25 Mrt, 27 Mei, 1 Juli en 12 Aug.).
1910 ‘Een Duitser over de nieuwe Nederlandse spelling.’ De Boekzaal, Jg. IV, blz. 53. 18 Nov. 1909.
1910 ‘De plaats van de aesthetika in het onderwijs.’ Handelingen van het Zesde Nederlandsche Philologencongres. 1910.
1911 ‘Hoe moeten wij spellen?’ De vrouw, Jg. 19, blz. 54. 25 Nov.
1912 ‘Iets over kinderlectuur.’ Catalogus van de Tentoonstelling Kind, Kunst en School te Rotterdam. April 1912, blz. 15.
1912 ‘Kinderspeelgoed.’ I: ‘Uit vroeger tijd.’ De vrouw en haur huis, 7de Jg. Blz. 210. 1 Nov.
1913 ‘Kinderspeelgoed.’ II: ‘Het moderne Duitse.’ Idem. Blz. 310. 1 Febr.
1913 ‘Tentoonstelling ‘De vrouw 1813-1913’ ’. I en II. ‘De historische afdeeling’. Weekblad voor Indië, 9de Jg. blz. 1123. 9 en 16 Maart.
1913 ‘De vrouw van 1813 in beeld.’ De vrouw. Officiëel Orgaan van de Tentoonstelling 12 Juli.
1913 ‘Een boekje over kinderstudie.’ De vrouw. Jg. 20. Nr. 11.
1914 ‘Het Duitse onderwijs in de oorlog.’ Amsterdammer Weekblad voor Nederland. Sept. of Oktober 1914.
1916 ‘De vrouw en de wetenschap.’ De vrouw, de vrouwenbeweging en het vrouwenvraagstuk. Elsevier 1914-1918. Hoofdstuk VI, blz. 507.
1918 ‘Waarheid en leugen in de kinderjaren.’ Leven en werken, 3de Jg. blz. 27 en 127.
1918 ‘U en Je.’ De vrouw, Jg. 26, blz. 23. 7 Sept.
1919 ‘Over de kinderfantazie.’ Leven en werken, 4de Jg. blz. 327 en 406.
1919 Honderd Nederlandsche Gedichten, verzameld door Dr. Chr. Kroes-Ligtenberg. G.B. van Goor Zn. Gouda 1919. Herdrukt in 1923, 1926, 1939, 1945, 1947, 1951.
1919 ‘Fröbel en Montessori.’ N.R. Courant van 24 Jan. Ocht. A. Overgenomen in Het kind, Jg. XX, kol. 81.
1919 ‘Ligthart en Montessori.’ De vrouw, Jg. 26, blz. 114.
1920 ‘Iets over het onderwijs in verzorging en opvoeding van kinderen.’ N.R. Courant van 27 April. Avondblad B.
1920 ‘De Rotterdamse School voor leraressen in kinderverzorging en opvoeding.’ Volksontwikkeling, 3de Jg. blz. 188. Jan.
1921 ‘Kinderpartij.’ De vrouw, Jg. 27, blz. 139. 1 Mei.
1922 Jaarverslag van de School enz. over het jaar 1920-'21.
1922 ‘Het jongste spellingsrapport.’ Volksontwikkeling, 3de Jg. blz. 188. Jan.
1922 ‘Kinderkennis en opvoeding.’ De vrouw, Jg. 29, blz. 359. 10 Juni.
1922 ‘Nog eens: de reine beschouwing van het natuurlike.’ Het kind, Jg. 23. kol. 35. 35. 4 Febr.
1923 ‘Kritiek op 34’ (n.l. op analyse 34 van Dr. Hamaker). Tijdschrift voor Ervarings-opvoedkunde. Jg. II, blz. 48. Juni.
1924 ‘Tentoonstelling Het Kind.’ De Volksuniversiteit Rotterdam, 3de Jg. Maart.
1924 Jaarverslag 1923/24 van de Vereniging van oudercommissie's der voormalige openbare U.L.O. scholen te Rotterdam. 17 Nov.
1924 ‘De tentoonstelling Het kind.’ De vrouw en haar huis, 18de Jg. blz. 14. Mei.
1924 ‘Kinderlektuur.’ (Van Bruggen: ‘Lektuurvoorsiening.’). Het kind, Jg. 24, kol. 253 en 267. 2 en 16 Aug.
1924 ‘Vernielzucht.’ Tijdschrift voor Ervaringsopvoedkunde. Jg. III, blz. 374.
1924 ‘De opvoeding onzer kinderen.’ Rotterdamsch Nieuwsblad. Maart.
1925 Jaarverslag voormalige openbare U.L.O. scholen Rotterdam 23 Nov. Idem 12 Nov. 1926.
1925 ‘Jeugdherinneringen’ (van Henri van Booven). Kinderverzorging en Opvoeding 1ste Jg., blz. 6. April.
1925 ‘Lansberg, Methodiek.’ Berichten en Mededelingen van de Vereniging van Leraren in Levende Talen, nr. 41, blz. 11. Dec.
1926 ‘Jeugdreizen.’ Gezin en School, 1ste Jg., blz. 127.
1926 ‘De schoolbibliotheek.’ Idem, 1ste Jg., blz. 66.
1926 ‘Een kinderfiguurtje (uit Ulrike Woytich v. Jacob Wassermann)’. Leven en werken, Jg. XI, blz. 264. April.
1926 ‘Een origineel kind.’ Kinderverzorging en Opvoeding, 2de Jg., blz. 4. Nov., en 3de Jg., blz. 2. Jan. 1927.
1927 ‘Koëdukatie.’ Gezin en School, 2de Jg. blz. 192.
1927 ‘Het Frans op de L.S.’ Idem. 2de Jg., blz. 6.
1927 ‘Een held’ I en II. (Otto Braun). N.R. Courant, 26 Febr. en 5 Mart., Avondbl. A.
1927 ‘De middelbare school voor meisjes.’ N.R. Courant, 16 Juni, Ocht. A.
1927 ‘Opvoedkundige werken van P.L. van Eck Jr., Dr. P.H. Ritter Jr., Prof. Dr. J.W. Langelaan, Ir. W. van Dorp.’ Kinderverzorging en Opvoeding 3de Jg. blz. 8 en 9. Juli.
1927 ‘Strafwerk.’ Tijdschrift voor Ervaringsopvoedkunde. Jg. 6, blz. 132. April. In de marge heeft C.K.-L. geschreven ‘het kortste en mooiste van mijn art.’)
1927 ‘Centrale instelling voor K. & O.’ De vrouw en haar huis. Jg. XXII, blz. 71. Juni.
1928 ‘Over boeken voor kinderen’ door Hendrik van Tichelen. Kinderverzorging en Opvoeding, 4de Jg., blz. 7. Juli.
1929 ‘Derde conferentie van de stichting voor kinderstudie te 's-Gravenhage. 19-21 Maart.’ Correspondentieblad Bond van Onderwijzeressen bij het Voorbereidend Onderwijs. Jg. 25., blz. 22.
1929 ‘Het jeugddagboek van Marie Bashkirtseff, na 50 jaar aan andere getoetst.’ Leven en werken Jg. XIV, blz. 423.
1929 ‘Practische sociologie’ V door J.H.F. Kohlbrugge. Kinderverzorging en Opvoeding, 5de Jg. blz. 11. Nov.; 7de Jg. blz. 10, Maart 1931.
1930 ‘Tien jaren onderwijs in K. & O.’ N.R. Courant van 27 April 1930, Ocht. C.
1930 ‘Folklore. Het sprookje’ door Jan de Vries. Kinderverzorging en Opvoeding. 6de Jg. blz. 9. Mei.
1930 ‘Taalonderwijs.’ Kinderverzorging en Opvoeding, 6de Jg. blz. 14. Nov.
1930 ‘Kinderlectuur (S. Abramsz. Rijmpjes en versjes uit de oude doos)’. Kinderverzorging en Opvoeding, 6de Jg. blz. 15. Nov.
1931 ‘Engeland als voorbeeld?’ Gezin en School. 6de Jg. blz. 119.
1931 ‘Welke spelling?’ Het kind, Jg. 32. kol. 199. 18 April.
1931 ‘Het lidmaatschap van de Vereniging K. & O. Kinderverzorging en Opvoeding, Jg. 7, blz. 9. Jan.
1931 ‘Nellie van Kol’ (Richtingslijnen). Kinderverzorging en Opvoeding, Jg. 7, blz. 7. Nov.
1931 Boekaank. C. Philippi-Siewertz van Reesema, Uit en over de werken van O. Decroly. Kinderverzorging en Opvoeding, Jg. 7, blz. 8. Sept.
1932 ‘Wat de kinderen zullen lezen.’ Leven en werken, Jg. XVII, blz. 410. Juli/Aug.
‘Groei I en II’ door J. Riemens-Reurslag en R. IJzer. Kinderverzorging en Opvoeding Jg. 8, blz. 11. Jan.
1933 ‘Nabeschouwing over de tentoonstelling ‘Die Frau’ te Berlijn.’ N.R. Courant 21 Mei. Ocht. F.
1933 ‘Lentereis.’ Reizen en trekken 5 Mei (Uitg. Nederl. Reisvereniging, Den Haag).
1933 ‘Waartoe moet de Montessori-opvoeding leiden?’ N.R. Courant 17 Oct. Av. B. Overgenomen in Het kind, Jg. 34, kolom 623. 25 Nov.
1933 ‘Tijdsignalen.’ (1. Film: Aus dem Tagebuch einer Ärztin; 2. Albert Lamm, ‘Betrogene Jugend.’ Het kind, Jg. 34. kolom 179. 1 April.: Klaus Mehnert, Die Jugend in Sowjet-Rusland; 2. Voordrachten 1933 van Dr. F. Künkel. kolom 272. 13 Mei).
1933 ‘Het prenteboek in nieuwe banen?’ Kinderverzorging en Opvoeding.
1934 ‘Een châlet van de Nederl. Reis Vereniging.’ Reizen en trekken, 24 Aug.
1934 ‘Prof. Dr. Charlotte Bühler in Nederland.’ Kinderverzorging en Opvoeding, Jg. 29, blz. 111. Juni.
1934 ‘De middelbare meisjesschool.’ De vrouw en haar huis, Jg. 29, blz. 479. Jan.
1934 Klinkende Rhythmen. Een bundel verzen en spreekkoren verzameld door Dr. Chr. Kroes-Ligtenberg. Van Goor Zn. N.V. 's-Gravenhage.
1934 ‘Kinderstudie’ (De weg naar het eind van de wereld door Sigurd Hoel). Kinderverzorging en Opvoeding. Jg. 11, blz. 31. Febr.
1936 ‘Opleiding tot lerares in K. & O.’ Christelijk vrouwenleven, Jg. 20, nr. 7. blz. 247.
1936 ‘Wij, moeders van dezen tijd...’ Idem, Jg. 20, nr. 10. blz. 360.
1936 Bespreking Gerard Walschap: De vierde koning. Kinderverzorging en Opvoeding. Jg. 12, nr. 11.
1936 ‘Boeken over kinderen.’ (Manfred Kyber-Veronica's Drievoudig licht; R. de Vries-Brandon - Als kinderen roepen!; Mary Dorna - Wanordelijkheden rondom een lastig kind; XX Léon Frapié - Vertellingen rond de bewaarschool; Kitty Bray - Miep en Minta.) Kinderverzorging en Opvoeding, Jg. 12, nr. 5, blz. 12.
1936 Dr. H.G. Hamaker: Over wetenschappelijke Opvoedkunde. Kinderverzorging en Opvoeding. Jg. 12, blz. 21. Juni.
1936 Bijdrage in de Feestcourant voor Ida Heyermans, speciaal nummer van de N.R.C. op 9 Dec.
1937 ‘De ‘moeilijke’ school, voorheen en thans.’ Onze kinderen en hun toekomst (Tijdschrift voor Ervaringsopvoedkunde), Jg. 16, afl. 2, blz. 38. Febr.
1937 ‘Het spel van moeder en kind.’ Oude kinderrijmen voor jonge ouders, door S. Troelstra-Bokma de Boer en Dr. Jop Pollmann. De vrouw en haar huis, Jg. 32, nr. 1, blz. 60. Mei.
1937 ‘Oude kinderspelletjes.’ Kinderverzorging en Opvoeding, Jg. 13, nr. 4, blz. 14. April.
1937 ‘Het traditionele kinderspel.’ Christelijk vrouwenleven, Jg. 21, blz. 193. Juni.
1937 Boekbespreking Bigot - Paed. feiten en beschouwingen; Amy van Weeren - Regen en zon in kleuterland; Van Asperen van de Velde - Ons Huis in de Jordaan. Kinderverzorging en Opvoeding, Jg. 13, nr. 7. blz. 10. Sept.
1937 ‘Prof. Dr. Hildegard Hetzer.’ Kinderverzorging en Opvoeding. Jg. 13, nr. 8, nr. 8, blz. 4. Oct.
1937 ‘De Kinderverzorging en Opvoeding Boekengids.’ Kinderverzorging en Opvoeding, Jg. 13, nr. 9, blz. 2. Nov.
1937 ‘Maria Montessori te Rotterdam.’ Idem blz. 10.
1937 ‘Bespreking van de Statistiek der vrije jeugdvorming 1937.’ Idem. blz. 13.
1938 ‘Gesprekken met Hildegard Hetzer.’ N.R. Courant van 6 Febr., Ocht. D.
1938 ‘Zal men in de tegenwoordige tijd de kinderen leren sparen?’ Kinderverzorging en Opvoeding, Jg. 14, nr. 3. blz. 5. Maart.
1938 Boekbespreking Johannes Müller, vom Geheimnis des Lebens I. De Weegschaal, Jg. 5, nr. 6. blz. 93.
1939 ‘De filosoof van Elmau.’ De Weegschaal, Jg. 6, nr. 3, blz. 33.
1939 ‘Nieuws over kinderlectuur’: Stibbe-Sprookjes, en Snitker-Vertellen. Kinderverzorging en Opvoeding, Jg. 15, nr. 8, blz. 13. Oct.
1939 ‘Herinneringen uit de vorige eeuw.’ Mirabile Lectu, Jubileumnr. Dec. 1939 (Orgaan van het Gymnasium te Haarlem).
1941 Bespreking C.P. van Asperen van de Velde - Het grote Leven tegemoet. Jeugdherinneringen. Kinderverzorging en Opvoeding, Jg. 17, nr. 2, blz. 13.
1941 Bespreking Antoon Coolen - Uit het kleine rijk. Kinderverzorging en Opvoeding, Jg. 17, nr. 2, blz. 13.
1942 ‘Een vriend van Aagje Deken.’ De Gids, Jg. 1942, Febr. en Maart.
1946 Bespreking A. Hallema, Gestichtstypen uit den ouden tijd. Museum, Jg. 51, Supplementnummer Juli.
1947 ‘Kerkeraadsmoeilijkheden uit de oude tijd.’ Algemeen Doopsgezind Weekblad, Jg. 2, nr. 10.
1949 ‘In memoriam A. Hudig-Löhnis.’ Kinderverzorging en Opvoeding. Berichtenblad, Jg. 2, nr. 1. Oct. 1949.
1950 ‘Een huisarts van voor 100 jaar.’ De Vrije Fries, deel XL.
1952 ‘Joost en Eeltje Halbertsma in Bolsward.’ Fa. A.J. Osinga, Bolsward 1952.
1953 ‘Wopke Cnoop, een Friese patriot.’ De Vrije Fries, deel XLI, Blz. 112.
1953 ‘Hollandse patriotten in het Château de Watte.’ De Nieuwe Stem, Jg. 8, nr. 10. Oct.
1954/55. ‘Herinneringen uit de vorige eeuw.’ Bolswarder Nieuwsblad van 20 Juli 1954, 28 Jan. en 1 Febr. 1955.
1956 ‘Nog een reactie op de nieuwe spelling.’ De Roeper, personeelsblad van de Centrale Arbeiders Verz. bank Nr. 114 van Febr.
1956 ‘Waarom de Haarlemmermeer drooggelegd moest worden.’ Maandblad Amstelodamum, Jg. 43, Dec.
1957 ‘Joost en Eeltje Halbertsma in Bolsward, een kleine nalezing.’ It Beaken (Ts. van de Fryske Akademy), nr. 1. Febr.
1957 ‘Dr Wybo Fijnje 1750-1809. Belevenissen van een journalist in de patriottentijd.’ Van Gorcum's Hist. Bibliotheek nr. 51. Assen.
Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1967

Gezin 1

Huwelijkspartner: Hendrik Willem Jan Kroes geb. 21 Aug 1883 overl. 3 MEI 1962
Huwelijk: 11 Aug 1910 Leiden