Hildebrand Lucien Krop

Geslacht: Man
Vader: Hendrik Krop
Moeder: Johanna Louisa Cordes
Geboren: 26 Feb 1884 Steenwijk
Overleden: 20 Aug 1970 Amsterdam
Religie: Ned. Hervormd
Beroep: beeldhouwer
Aantekeningen: Krop groeide op in een bakkersgezin te Steenwijk. Behalve twee zoons en vier dochters telde dit een jong wees geworden nichtje en inwonend personeel. Zijn vader was vrijdenker, lid van de geheelonthoudersbond en vrijzinnig democraat, maar hij nam zijn zoons ook mee naar bijeenkomsten waar F. Domela Nieuwenhuis en P.J. Troelstra spraken. Van 1899 tot 1923 was hij wethouder. Hildo was voorbestemd om de bakkerij over te nemen omdat hij niet, zoals zijn oudste broer, de rust had om te leren. Met veertien jaar leerde hij van zijn vader de eerste beginselen van het vak en ging daarna nog elders ervaring opdoen. In Leiden volgde hij boetseerlessen om marsepeinfiguren te kunnen maken. Hij werkte ook in Frankrijk en Italië als banketbakker en kok. Na allerlei omzwervingen kreeg hij in 1906 werk als kok op een Brits buiten bij het echtpaar Hubert Bland en Edith Nesbit. Zij behoorden tot de kring der Fabians en hier ontmoette Krop kunstenaars en intellectuelen. Toen de vrouw des huizes hem in zijn vrije tijd zag schilderen en tekenen, nodigde ze hem uit de huiskamerbijeenkomsten bij te wonen. Dit stimuleerde hem een zomercursus voor beeldende kunst te volgen. Terug in Nederland besloot hij tot verdriet van zijn ouders het bakkersberoep vaarwel te zeggen. Hij vertrok tenslotte met hun instemming naar Parijs om les te nemen op de vrije Académie Julien. In het cursusjaar 1908-1909 volgde hij beeldhouwlessen bij Bart van Hove aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten te Amsterdam. Hier kwam hij onder invloed van het toen dominerende symbolisme. Bovendien kwam hij in aanraking met de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) en sloot zich omstreeks 1908 bij deze partij aan. In 1909 leerde hij van John Rädecker, die uit een familie van uitvoerders kwam, hakken in steen. Zijn grote lichaamskracht kwam hem hierbij te pas. Na het verwerven van de akte Middelbaar Onderwijs Tekenen in 1910 was hij korte tijd leraar aan de Hoogere Burgerschool te Haarlem, maar voor dit werk schoot zijn geduld tekort. Zijn ouders hadden ondertussen de bakkerij verkocht zodat er geen weg terug was. Met het einddiploma van de Rijksacademie op zak bracht hij de winter van 1911-1912 in Berlijn door en volgde de lessen van Georg Kolbe aan de Kunstgewerbeschule. De sfeer lag hem niet. Via Rome kwam hij weer in Parijs, waar hij bij Jacob Bendien introk. Samen met diens zuster Lientje, met wie hij verloofd was, en zijn twee zussen vormden zij een pover ingerichte commune. Hij raakte bevriend met Ossip Zadkine en beiden maakten deel uit van de groep 'En taille directe', waarvan de leden zonder model uit steen hakten. Eind 1912 woonde hij weer in Amsterdam. Hij ontwierp en maakte meubels en leerde op een meubelfabriek van A.M. Stoltz houtsnijden.
Het verzoek van de architect Piet Kramer een gevelsteen te ontwerpen voor het gebouw van de roemruchte Bond van Minder Marine Personeel in Den Helder vormde een keerpunt in zijn leven. De eenheid van architectuur en beeldhouwkunst stond in die jaren hoog in het vaandel van het socialistisch symbolisme. Het individualisme moest dienstbaar gemaakt worden aan het gemeenschapsbelang. Het streven van de arbeiders diende uitgedrukt te worden in algemeen verstaanbare symbolen. Krop beeldhouwde een anker - de naam van het bondsblad - dat niet lossloeg temidden van de woeste golven, die het van alle kanten belaagden. In 1914 werd het gebouw in gebruik genomen. Ook zijn tweede opdracht dankte Krop aan Kramer. Hij werkte mee aan het Amsterdamse Scheepvaarthuis, dat tussen 1913 en 1916 aan de Prins Hendrikkade gebouwd werd. Als assistent van H.A. van den Eynde, die met het beeldhouwwerk belast was, beitelde Krop een aantal portretten van de grote grondleggers der scheepvaart. Ondertussen ontmoette hij Mien Sleef op een van de liederenavonden van amateurs die hij graag bezocht. Ze was de dochter van de vooraanstaande SDAP'er en typograaf J.W. Sleef, die als kind met de geruchtmakende misstanden in het weeshuis te Neerbosch te maken kreeg. Sleef was enige tijd voorzitter van de Amsterdamse SDAP-afdeling. Deze omgang zal zijn invloed op Krops politieke vorming niet gemist hebben. Anders dan Krop die goedaardig van karakter was, hoewel hij zeer boos kon worden, had Mien een felle en fanatieke natuur. In 1914 trouwden zij en vanaf 1920 woonde het gezin naast het atelier aan de Plantage Muidergracht. Behalve hun twee kinderen Heleen en Johan, die voorspoedig opgroeiden, overleed hun derde kind Hein al heel jong. Krop maakte een dodenmasker van hem. Zijn beide andere kinderen zou hij vaak beeldhouwen. Hun woning lag vlak bij Artis, waar Krop graag dieren mocht tekenen: een inspiratiebron voor zijn latere ornamenten en sculpturen aan bruggen en gebouwen. Nu Krop de zorg voor een gezin had, zocht hij een vaste bron van inkomsten. Op aanraden van Kramer vroeg Krop een onderhoud aan met de directeur van Publieke Werken. Het duurde even voor hij A.W. Bos zelf te spreken kreeg. Deze was een voorstander van de nieuwe richting, die met de bouw van het Scheepvaarthuis ingeslagen was. De wethouder van Publieke Werken machtigde Bos om Krop voor de helft van diens werktijd een vast dienstverband aan te bieden. Op 16 juni 1916 werd dit door Burgemeester en Wethouders van Amsterdam bekrachtigd. Voor de rest van zijn leven was Krop nu officieel stadsbeeldhouwer tegen een bescheiden loon. Toen Krop later een keer met Zadkine door Amsterdam liep, waar ondertussen veel van zijn beelden stonden, riep deze uit: 'Nom de Dieu, tu dois être millionnaire'. Dat was bepaald niet het geval. Zijn eerste werkstuk voor de gemeente was een granieten sluitsteen boven de ingang van een school in de Transvaalbuurt, een volksbuurt in aanbouw. Sedert de woningwet van 1901 kregen gemeenten en woningbouwverenigingen nieuwe financiële mogelijkheden. Krop ontwierp ook veel sculpturen, die dieren en vogels uitbeeldden, voor de bruggen van Kramer. Er ontstond een conflict toen Krop zich fel verzette tegen Kramers plan de modellen voor de brug aan de Amsteldijk in Duitsland te laten hakken, waar dat door de inflatie goedkoper was. Krop wilde de eigen uitvoerders niet het brood uit de mond stoten. Toen Krop erachter kwam dat Kramer de modellen stiekem naar Duitsland had laten vervoeren, ontstond tussen beiden een verwijdering. Later draaide Krop bij. De eerste grote opdracht voor de gemeente in de jaren 1916-1919 betrof de ornamenten voor het hoofdgebouw van de gemeentelijke telefoondienst aan de Herengracht. Aan zijn afkeer van de oorlog kon hij uiting geven in de belangeloos uitgevoerde opdracht voor het Belgenmonument te Amersfoort ter nagedachtenis aan de geïnterneerden, die tijdens een opstand tegen de Nederlandse bewaking om het leven gekomen waren. Zijn ontwerp werd op politieke gronden afgekeurd. Men werd het eens over een monument dat hulde bracht aan de gastvrjheid die Belgische vluchtelingen hier genoten. Voor het bovenste gedeelte van het monument werd de Zwitserse beeldhouwer François Gos aangetrokken. Onderaan zijn de fusillade, internering en uittocht van Krop ondergebracht.
In 1918 verliet Krop de SDAP vanwege een advertentie in Het Volk voor de negende Duitse oorlogslening. Waarschijnlijker is dat zijn enthousiasme voor de Russische Revolutie en de jonge Sovjet-staat de doorslag gaf. Het echtpaar Krop bewoog zich de rest van hun leven in communistische kringen. In 1921 ontwierp Krop de omslag voor het boek van H. Roland Holst Uit Sovjet-Rusland. Voor De Tribune maakte hij in de jaren twintig politieke houtsneden, onder meer van de begrafenis van een mijnwerker. Bij het tienjarig bestaan van de Sovjet-Unie vervaardigde hij een legpenning. In 1931 boetseerde Krop een portretbuste van V.I. Lenin, die levenslang op zijn atelier stond. In 1932 maakte hij een reis naar de Sovjet-Unie en verbleef daar drie maanden. Hij liet zich hierover zeer positief uit. Een beeld van een dijkwerker werd op een grote CPN-bijeenkomst in het Amsterdamse Concertgebouw gepresenteerd ter gelegenheid van het twintigjarig bestaan van de Sovjet-staat en kreeg een plaats in een park te Moskou. Th. de Vries had er een inscriptie bij gemaakt. Dat Krop geen lid van de communistische partij werd, had er mee te maken dat hij zijn positie als stadsbeeldhouwer niet in gevaar wilde brengen. Ook speelde de bereidheid van het echtpaar Krop inlichtingenagenten van de Sovjet-Unie te huisvesten en van dienst te zijn een rol. Krop had eerst contact met de agent Max Friedman, die hem vervolgens in aanraking bracht met zijn opvolger Ignace Reiss. Met de laatste ontstond een vriendschap, die onder meer resulteerde in logeerpartijen en een indringende portretbuste van deze 'meneer Ludwik'. Het moet een schok voor Krop geweest zijn toen Reiss, die half juli 1937 met de Sovjet-staat brak, kort daarop omgebracht werd door een moordkommando van de geheime dienst GPOe. Op 17 juni had Krop Reiss nog op de achterkant van een menukaart geportretteerd tijdens een etentje in het Amsterdamse Americain Hotel. Krop hield zich niet geheel politiek afzijdig. Zo was hij lid van de radicale Socialistische Kunstenaars Kring, waarvan zowel sociaal-democraten als communisten lid waren, en van de Bond van Kunstenaars ter Verdediging van Kulturele Rechten. Hoewel geen SDAP-lid meer kreeg hij toch de opdracht op de Nieuwe Oosterbegraafplaats een grafmonument te maken voor de in 1918 overleden Albert Hahn. Het werd een arbeider met vrouw en kind op weg naar een stralende toekomst. Vooral in de jaren twintig was Krops productie hoog, ondanks een zware operatie in 1922 waarbij een nier weggenomen werd. Onder collega's en vooral de jongeren bestond geregeld gemor tegen zijn monopoliepositie in Amsterdam. Krop wist deze in hoofdzaak te handhaven door toe te zeggen ook ruimte voor anderen te laten. Zo vervaardigden J. Rädecker en J. Mendes da Costa, evenals Krop, beelden voor de nieuwe stadhuisvleugel. In 1925 werden Krop, L. Zijl, Mendes da Costa en Rädecker ingeschakeld bij de 'Exposition des arts décoratifs et industriels modernes' in Parijs. Krop woonde tijdens het werk een half jaar in het woonhuis-atelier van Zadkine. Ook in Parijs ging hij, zoals hij gewend was, gekleed in een wijde broek, een boezeroen met bretels en op klompen. Hij trad er op als zijn eigen uitvoerder, tot het werk hem boven het hoofd groeide. Het paviljoen was nog geheel in de stijl van de Amsterdamse School opgetrokken in baksteen en versierd met gemetselde decoraties. Aan de 'kinderbrug' over het Zuider-Amstelkanaal bij het Muzenplein (1929-1932) werkten behalve Krop nog negen collega's, onder wie M. Vreugde, Fr. van Hall, H. van Lith en J. Kaas. De hoofdsculptuur, een steigerend paard met tussen de poten een klein meisje, was van Krop. Krop was steeds bereid zich nieuwe technieken eigen te maken. Zo maakte hij maskers, ceramiek en kleine plastieken, waarbij hij zijn fantasie de vrije loop liet. Naar aanleiding van een olifant, die hij omstreeks 1925 voor zijn zoontje boetseerde, wilde hij leren glazuren. Bert Nienhuis leerde hem dit. De in 1919 opgerichte Eerste Steenwijsche Kunst Aardewerk Fabriek (ESKAF), die tot 1927 bestond en waarvan zijn vader president-directeur was, bood Krop en anderen de gelegenheid gebruiks- en sieraardewerk te ontwerpen. Uit het begin van de jaren twintig stamt Moeder Aarde, voorgesteld als een gehurkte vrouwenfiguur die een op schoot liggende figuur vasthoudt. Daaromheen zijn onder meer een steenbok, een roofvogel en een slang afgebeeld. In 1958 huurde de gemeente dit beeld van Krop voor een wisselende expositie van beeldhouwwerken in het Weteringplantsoen. Het viel zo in de smaak dat de gemeente het tenslotte aankocht. Door bemiddeling van J.F. Staal kreeg Krop in 1929 de opdracht beelden van krantenjongens voor het nieuwe gebouw van De Telegraaf aan de Nieuwezijds Voorburgwal te ontwerpen. In de jaren dertig kwamen er minder gemeente-opdrachten, zodat Krop meer tijd had voor particulier werk. Een rijksopdracht was in 1933 het monument op de Afsluitdijk ter herinnering aan de afsluiting van de Zuiderzee. Binnen de architectuur van W. Dudok vervaardigde Krop een reliëf in brons, dat drie dijkwerkers voorstelde die bazaltblokken plaatsten. De sociale ellende bleef hem beroeren. In 1932 beeldde hij als vrij werk in eikehout een werkloze uit. Behalve beelden rond zijn hoofdthema's arbeiders, vrouwelijke naakten met een symbolische betekenis en de natuur, heeft hij ook filosofen uitgebeeld: Erasmus (in de tuin van het Vredespaleis in Den Haag en voor het Vossius-gymnasium Amsterdam), Spinoza (Spinoza-lyceum in Amsterdam), Descartes (voormalig Cartesius-lyceum in Amsterdam).
In de bezettingsjaren kwam tijdelijk een einde aan Krops dienstverband met de gemeente. Hij werd geen lid van de Kultuurkamer en was actief in het verzet. Na de oorlog maakte hij een grafmonument voor de terechtgestelde Februari-stakers op de Nieuwe Oosterbegraafplaats. Een geklede vrouwenfiguur met wapperende vlag symboliseert de vrijheid. Krop gaf bij herhaling blijk van zijn waardering voor de jonge garde. Zijn credo was: 'Een kunstenaar mag niet anders wezen dan een instrument. Hij schrijft het lied van zijn tijd in vorm en kleur voor de komende geslachten, beter en schoner dan welke staatsman of welke geschiedschrijver ook'. Het beeld was voor hem een symbool. Intussen werkte hij gestaag door. In 1961-1962 maakte hij nog een Troelstra-beeld dat op het Oldehoofster Kerkhof in Leeuwarden een plek gekregen heeft. Bekend is zijn massale Berlage-standbeeld op het Victorieplein in Amsterdam, dat in de jaren 1956-1966 tot stand kwam. Aan de zijkanten van de sokkel zijn een metselaar, een steigerbouwer, een beeldhouwer, een opperman en een tekenaar uitgebeeld, een eerbetoon aan de anonieme arbeiders, zonder wie het werk van Krop niet tot stand had kunnen komen. Burgemeester G. van Hall, die het beeld in december 1966 onthulde, sprak van een grote geestelijke en fysieke prestatie van de ruim tachtigjarige. Tot het laatst bleef Krop bezig. Tijdens het werk op zijn atelier bezweek hij tenslotte aan een hartaanval. Het echtpaar Krop ligt begraven op Zorgvlied in Amsterdam. Het beeld van 'De eeuwige vrouw', dat Krop voor het Amsterdamse paviljoen in Parijs maakte, is op het graf geplaatst. Op 4 oktober 1989 werd in Steenwijk het wooncentrum Hildo Krop van de Humanistische Bouwstichting Bejaardenhuisvesting geopend.
Publicaties:
Hildo Krop over Rusland' in: Kroniek van Hedendaagsche Kunst en Kultuur, september 1935, 82-5; 'Wat is er met de kunst? Inleiding gehouden in mei 1960 bij de opening van de tentoonstelling van zijn werk in Groningen' in: Kroniek van Kunst en Kultuur, 20/6, 1960, 17-22.
Literatuur:
J. Havelaar, Hildo Krop (Amsterdam circa 1928); A.M. Hammacher, 'Inleiding bij aflevering gewijd aan beeldhouwwerk van Hildo Krop' in: Wendingen, 1931, nr. 5-6, 3-24; P. Fierens, L'Art Hollandais contemporain (Parijs 1933); Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld (Amsterdam 1938); J. de Gruyter, Hildo Krop (Amsterdam 1938); H. Riethof, 'De GPU op de Overtoom' in: Maatstaf, 17/8, 1969, 496-508; E.K. Poretsky, Our own people. A memoir of 'Ignace Reiss' and his friends (Londen 1969); L.P.J. Braat, 'Bij de dood van Hildo Krop' in: De Groene Amsterdammer, 29.8.1970; E. van Straaten, Dubbelgebakken. Aardewerknijverheid in Nederland 1876-1940 (Lochem 1979); T. Jansen, J. Rogier, Kunstbeleid in Amsterdam 1920-1940. Dr. E. Boekman en de socialistische gemeentepolitiek (Nijmegen 1983); I. Cornelissen, De GPOe op de Overtoom. Spionnen voor Moskou 1920-1940 (Amsterdam 1989); E.J. Lagerweij-Polak, Hildo Krop. Beeldhouwer (Den Haag 1992, met oeuvre-catalogus, overzicht tentoonstellingen en bibliografie van publikaties over zijn werk); Het Amsterdams beeldenboek. Vier eeuwen buitenbeelden (1600-heden) (Amsterdam 1996); E.J. Lagerweij-Polak, Inleiding bij de opening van de tentoonstelling De Eerste Steenwijker Kunstaardewerkfabriek (ESKAF) op vrijdag 4 februari 2000.
Auteur: Ger Harmsen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: BWSA 8 (2001), p. 125-130
Laatst gewijzigd: 00-00-2001

Gezin 1

Huwelijkspartner: Willemina Frederika Sleef geb. 1891
Huwelijk: 24 Dec 1914 Amsterdam