Maurits Henri van Raalte

Geslacht: Man
Vader: Henri van Raalte
Moeder: Betsy Anna Cohen
Geboren: 30 Nov 1907 Amersfoort
Overleden: 9 Mrt 2002 Haren
Religie: Ned. Isr.
Aantekeningen: Op 9 maart 2002 overleed prof. dr. Maurits Henri van Raalte, rustend gewoon lid van de Afdeling Natuurkunde, op de leeftijd van 94 jaar. Hij werd in 1965 benoemd tot gewoon lid van de Afdeling Natuurkunde van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, Sectie Biologie (In 1948 werd hij reeds als correspondent van de Afdeling Natuurkunde benoemd. In 1950 eindigde zijn correspondentschap echter wegens vestiging in Nederland).
Maurits Henri van Raalte, roepnaam Max, werd op 30 november 1907 te Amersfoort geboren.
Hij begon de studie Biologie aan de Rijksuniversiteit Utrecht in 1925, waar hij in 1931 cum laude afstudeerde met als hoofdvak plantkunde en als bijvakken dierkunde en fytopathologie. Hij was assistent bij prof. dr. EA.EC. Went van 1930 tot 1932.
Vervolgens werd hij van 1935 tot 1939 wederom als assistent bij de algemene Plantkunde aangesteld bij het Botanisch Laboratorium te Utrecht. In deze periode bereidde hij eveneens een proefschrift voor. Op 28 juni 1937 promoveerde Van Raalte bij prof. dr. V. Koningsberger, de opvolger van prof. Went, op een proefschrift, getiteld: Onfactors detemlining the auxin content oftlle root tip. Toen prof. Koningsberger in 1938 langdurig in Zuid-Afrika verbleef, werd Van Raalte belast met de taak van het verzorgen van het onderwijs in de plantkunde.
In 1939 sloeg Van Raalte zijn vleugels uit en reisde hij naar het voormalig Nederlands Oost-Indiƫ. Hij bezocht daar de volgende proefstations: het Deli-proefstation en het proefstation van de AFROS te Medan, het proefstation voor de Java-Suikerindustrie te Pasoeroean en het proefstation van de Centrale-Proefstations-Vereniging te Malang en te Djember. Vervolgens verrichtte hij wetenschappelijk onderzoek in het Treub Laboratorium, gelegen in 's Lands Plantentuin te Buitenzorg. Hier deed hij pionierswerk over de aanpassing van rijst aan de zuurstofarme sawahbodem: de rijstwortels krijgen de benodigde zuurstof voor ademhaling vanuit de atmosfeer via diffusie van zuurstof door bladeren en stengels. Dit onderzoek is klassiek en wordt nog jaarlijks geciteerd in relevante literatuur.
De inmiddels in Europa uitgebroken oorlog verhinderde de terugkomst van Van Raalte en zijn gezin naar Nederland. Intussen werd Van Raalte in november 1939 aangesteld als plantkundige aan 's Lands Plantentuin en in 1940 tot 1941 was hij waarnemend hoofd van het Treub-laboratorium, waar hij een nieuwe en ingenieuze methode ontwikkelde voor de bepaling van het waterverbruik van een moerasplant als rijst. Van 1942 tot 1945 verbleef Van Raalte in diverse interneringskampen. Na de Japanse capitulatie werkte hij eerst nog enkele maanden aan malariaproblemen aan het Instituut Pasteur te Saigon, alvorens hij naar Nederland kon terugkeren.
In Nederland ging Van Raalte werken op het Botanisch laboratorium van de Rijksuniversiteit te Leiden bij prof. dr. Th. van den Honert. Hier verrichtte hij onderzoek over de bepaling van ammonium ionen in zeer lage concentraties. In 1947 vertoefde hij enige tijd in Engeland en Schotland op een aantal vooraanstaande instituten en proefstations.
Eind 1947 keerde Van Raalte terug naar 's Lands Plantentuin te Buitenzorg, waar hij - samen met mej. dr. J. Ruinen - op voortreffelijke wijze weer orde bracht in de tijdens de oorlogsjaren totaal ontredderde tuin en zijn laboratoria. Naast deze organisatorische werkzaamheden deed hij onderzoek naar de invloed van het plantenhormoon auxine op de wortelvorming van bladstelen bij Ageratum houstonianum, met speciale aandacht voor synergistische werking van indolen met het auxine, indol-3 azijnzuur.
Als blijk van waardering voor de kwaliteit van zijn wetenschappelijk werk werd Van Raalte in 1948 tot correspondent van de Afdeling Natuurkunde van de KNAW benoemd.
Na de souvereiniteitsoverdracht van Nederlands Oost-Indiƫ naar de republiek Indonesia keerde hij in 1950 naar Nederland terug. Hij werd benoemd als wetenschappelijk medewerker aan het Laboratorium voor Phytopathologie van de Landbouwhogeschool te Wageningen bij prof. dr. AJ.P. Dort. Met zijn groot enthousiasme en gedrevenheid werd hij al spoedig de ziel van een nieuwe werkgroep, de Werkgroep voor Inwendige Therapie bij Planten. Onder zijn leiding breidde de werkgroep zich sterk uit en werden in een zes-jarige periode vele belangrijke resultaten gepubliceerd.
In 1956 veranderde Van Raalte van werkkring. De Landbouwhogeschool, tezamen met de Wageningse onderzoeksinstituten van het Ministerie van Landbouw en Visserij, bevond zich in een fase van uitbreiding en groeide uit tot het tweede centrum voor landbouwkundig onderzoek op deze wereld (na Beltsville, Md., USA).
Op initiatief van de minister van Landbouw werden in Wageningen instituten gesticht, die de proefstations moesten bijstaan in achtergrondonderzoek op landbouwkundig terrein. Bij dit achtergrondonderzoek stuitte men dikwijls op plantenfysiologische problemen. In overleg met de KNAW werd een Akademiecommissie voor fundamenteel plantenfysiologisch onderzoek ingesteld met Van Raalte als secretaris. Als gevolg van de activiteiten van deze commissie werd in 1956 de stichting 'Centrum voor Plantenfysiologisch Onderzoek' (cPO) te Wageningen opgericht met Van Raalte als de aangewezen man voor de leiding van dit nieuwe instituut als directeur. Hij heeft deze taak, die veel tact en inzicht vergde, voortreffelijk vervuld, niet in het minst door voortreffelijke gespecialiseerde medewerkers aan te trekken, die naast hun steunverlening aan andere landbouwkundige instituten en proefstations ruimschoots gelegenheid kregen om fundamenteel onderzoek in hun specialisme te verrichten. Zo kreeg zijn instituut later de bijnaam 'Centrale Professoren Opleiding', CPO.
Samenvattend kan worden geconstateerd, dat Van Raalte met zijn groot enthousiasme en inzet belangrijk heeft bijgedragen tot de naam van 'Wageningen' als wereldcentrum voor landbouwkundig onderzoek. Hij mag zich met trots scharen in de rij van wereldwijd bekende plantenfysiologen en aanverwante wetenschappers van die tijd als B. Kok, P. Gaastra, CJ.P. Spruit en E.e. Wassink (Plantenfysiologisch Onderzoek), C.T. de Wit en D.R. van Wijk (Natuurkunde, Meteorologie en Klimatologie) en SJ. Wellensiek en J.A.D. Zeevaart (Tuinbouwplantenteelt).
In 1958 deed de Rijksuniversiteit Groningen een beroep op Van Raalte voor de leerstoel Plantenfysiologie als opvolger van prof. dr. W.H. Arisz. Hij werd in hetzelfde jaar benoemd. Naast het klassieke en over de gehele wereld bekende onderzoek over het functioneren van waterplanten van W.H. Arisz en RJ. Helder, startte hij onderzoek over aanpassingen van planten aan 'stress' -omstandigheden als zuurstoftekort van plantenwortels (zijn oude liefde!) en koude en de stikstofhuishouding van de plant. Hij trok voor dit onderzoek - evenals het geval was bij het cpo - weer zeer getalenteerde en gemotiveerde onderzoekers aan als R. Hofstra, H.B.A. Prins, P.R. van Hasselt en I. Stulen en de botanisch analist L.J. de Kok. Hij legde hiermee de grondslag voor de bekende naam die het laboratorium voor Plantenfysiologie in later jaren zou maken over het onderzoek over milieu-aanpassingen van planten. Hiervoor ben ik hem als zijn opvolger voor de leerstoel plantenfysiologie bijzonder erkentelijk.
Van Raalte heeft als gewoon lid van de Afdeling Natuurkunde vele taken voor de Akademie verricht; zo was hij jarenlang lid van de Biologische Raad (1966-1980;1988-1994) en van de Commissie voor de Biochemie en Biofysica (1966-1980), alsmede secretaris/lid van een viertal Commissies voor AdviesNoorlichting van fondsen en uitzending van onderzoekers naar Biologische Stations.
Van Raalte was ook bijzonder actief met bestuurlijke werkzaamheden bij de Faculteit Wiskunde en Natuurwetenschappen van de Rijksuniversteit Groningen.
Samen met prof. dr. G.P. Baerends heeft Van Raalte gestalte gegeven aan het vertrek van de Biologie vanuit het centrum van Groningen naar de vestiging van het Biologisch Centrum te Haren, op het terrein van Hortus De Wolf. Als botanicus nam hij vanzelfsprekend ook het initiatief voor de opbouw van de Hortus, waar een door hem ontworpen grote tropische kas nog steeds mensen in staat stelt zich een beeld te vormen van de tropische plantenwereld.
Van Raalte was bijzonder geliefd op het Biologisch Centrum, zoals blijkt uit tal van herinneringen, die ik in de loop der tijden heb gehoord. Zijn sociale belangstelling reikte van hoog tot laag, van het geruststellen van een promovendus 's morgens vroeg op de dag van de promotie, tot het verschijnen met een grote taart bij een medewerker, die vader van een tweeling was geworden. Ook was hij in staat om een hoogleraar, die al te hoog van de toren blies, weer met zijn voeten op de grond te krijgen. Maar je moest wel opletten wanneer hij fluitend door de gang liep; dit was geen teken van opgewektheid, maar een signaal, dat iets hem geweldig dwars zat en je moest hem dan ontlopen. Velen onder de mensen van het Biologisch Centrum houden zijn grote inzet en warme sociale betrokkenheid bij mensen, van hoog tot laag, in warme herinnering.
Ook na zijn emeritaat bleef Van Raalte nog enige tijd werkzaam op het laboratorium en hij woonde trouw de promoties bij. In 1982 werd hij echter door een ernstige beroerte getroffen, waarvan hij wonderwel toch nog heel redelijk herstelde.
Zijn geestelijke vermogens gingen helaas geleidelijk achteruit en het werd steeds moeilijker verslag uit te brengen van promoties en andere activiteiten van zijn vroegere laboratorium. In 1996 was opname in een verpleegtehuis onafwendbaar.
Hij werd vervolgens liefdevol opgevangen door zijn trouwe echtgenote, die hem dagelijks opzocht of hem meenam naar haar kamer in het verzorgingstehuis.
'Waer werd oprechter trouw
Dan tusschen man en vrouw
Ter weereld oit gevonden'
(Gijsbreght van Aemstel, Joost van den Vondel)
Op 9 maart 2002 kwam aan zijn lijden een einde.
Gaarne bedank ik prof. dr. J.Bruinsma, dr. P.R. van Hasselt, dr. L.I. de Kok, dr. H.B.A. Prins en dr. I. Stulen voor de inlichtingen, die dit levensbericht mogelijk maakten. GJ. Hartrnan bedankt!
P.J.C. Kuiper, Levensbericht M.H. van Raalte, in:
Levensberichten en herdenkingen, 2003, Amsterdam, pp. 65-70

Gezin 1

Huwelijkspartner: Maria Elisabeth van de Stadt
Huwelijk: 3 Okt 1934 Den Haag