Sjoerd Hofstra

Geslacht: Man
Vader: Pier Hofstra
Moeder: Janneke Visser
Geboren: 21 Jan 1898 Idsegahuizen
Overleden: 14 Apr 1983 Thun, Zwitserland
Aantekeningen: Sjoerd Hofstra was de op één na jongste in een Nederlands-hervormd gezin met twee jongens en twee meisjes. Na de lagere school en de normaalschool te hebben doorlopen was hij werkzaam in de journalistiek bij het Nieuwsblad van Friesland en vervolgens bij het Nieuwsblad van het Noorden . Als jong kind onderging hij diep de indrukken van het Friese landschap, die hem een blijvende liefde voor dier en natuur bijbrachten. In de in 1919 onder het pseudoniem Johannes Hoving gepubliceerde dichtbundel Droom en daad. Enkele proza-zangen is daarvan een vroege neerslag te vinden in de vorm van religieuze natuurlyriek.
Leergierig als hij was en bovendien weinig tevreden met de journalistieke arbeid wilde Hofstra graag verder studeren. De financiële situatie in het gezin liet dit niet toe. Een wijkverpleegster - de weduwe van een bankdirecteur -, die hem tijdens een ziekte verpleegde, ontfermde zich echter over hem en maakte het hem financieel mogelijk om in 1924 in Parijs sociologie en psychologie te gaan studeren en vervolgens, vanaf 1925, aan de Universiteit van Amsterdam sociale geografie. Hofstra's leermeester werd S.R. Steinmetz. Diens sterke nadruk op empirisch-kwantificerend onderzoek trok hem evenwel maar ten dele aan, omdat naar zijn mening ook goede theorievorming onontbeerlijk was. Al tijdens zijn studie vestigde Hofstra de aandacht op zich met het godsdienstsociologische artikel: 'De nieuwere religieuze bewegingen in ons land' (in: Mensch en Maatschappij 3 (1927) 519-543). Hofstra was hiertoe geïnspireerd door studies van zijn hoogleraar in de sociologie W.A. Bonger over geloof en ongeloof.
Na in 1930 het doctoraalexamen te hebben afgelegd kon Hofstra, die zich breder wilde oriënteren, dankzij een Duits stipendium zijn wetenschappelijke opleiding in het buitenland vervolgen. Hij studeerde etnologie en sociologie, eerst anderhalf jaar in Hamburg en Berlijn, daarna een jaar in Londen. In Berlijn onderging Hofstra de invloed van de socioloog A. Vierkandt, met diens nadruk op classificatie en zorgvuldige begripsbepaling, en de etnoloog D.H. Westermann, bij wie hij Afrikaanse talen studeerde en die zijn blijvende belangstelling voor Afrika wekte. In Londen studeerde hij als fellow van de Rockefeller Foundation aan de London School of Economics bij de sociaal antropoloog B. Malinowski en aan de School of Oriental Studies. Hofstra sloot deze buitenlandse periode af met de dissertatie Differenzierungserscheinungen in einigen afrikanischen Gruppen. Ein Beitrag zur Frage der primitiven Individualität, waarop hij op 7 juli 1933, als laatste promovendus van Steinmetz, aan de Universiteit van Amsterdam promoveerde. In deze studie doordacht hij de vragen van individualiteit in Afrikaanse samenlevingen en keerde hij zich - in navolging van Steinmetz en Malinowski - tegen de opvattingen van de socioloog en etnoloog L. Lévy-Bruhl over prelogisch denken en het ontbreken van individualiteit bij zogeheten primitieve volkeren.
Van 1934 tot 1937 was Hofstra research fellow aan het International Institute of African Languages and Studies in Londen, als medewerker van Malinowski. In deze hoedanigheid deed hij als eerste Nederlander veldonderzoek in Afrika en wel onder de Mendi in Sierra Leone. Hofstra en zijn vrouw - die zich na hun huwelijk, in 1935, bij hem had gevoegd - leefden te midden van deze stam. Hij was zelfs opgenomen in één van hun geheime genootschappen. Over zijn onderzoek publiceerde hij een aantal artikelen in vaktijdschriften. De vrucht van zijn verblijf in Londen was de wetenschapssociologische studie De sociale aspecten van kennis en wetenschap uit 1937. In dit werk behandelde Hofstra als een van de eerste Nederlandse sociologen - zij het nog verkennenderwijs - het verschijnsel wetenschap in zijn relatie tot de samenleving.
Op 1 november 1937 werd Hofstra waarnemend directeur en op 1 oktober 1938 directeur van het Museum voor Land- en Volkenkunde en het Maritiem Museum 'Prins Hendrik' in Rotterdam. Beide functies zou hij tot 1 oktober 1949 uitoefenen. Hij verbeterde de organisatie en zorgde ervoor dat de musea door veel tentoonstellingen en lezingen meer naar buiten traden. Ook kon nieuwbouw voor het Maritiem Museum worden verwezenlijkt. Tijdens de Duitse bezetting, in 1941, liet Hofstra vanwege het gevaar van luchtaanvallen een belangrijk deel van de collecties overbrengen naar de buitenplaats 'Gooilust' in 's-Graveland, eigendom van de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland, waarmee Hofstra connecties had. Ook hijzelf vestigde zich hier met zijn gezin gedurende de rest van de bezetting. Het gaf hem veel gelegenheid tot studie, ook al verbleef hij voor zijn directeurswerk enige dagen per week in Rotterdam. In het najaar van 1944 vonden Jan Romein en zijn vrouw een onderduikadres op 'Gooilust'.
In 1947 aanvaardde Hofstra, naast zijn directeursfunctie in Rotterdam, een benoeming tot bijzonder hoogleraar in de Afrikaanse volkenkunde aan de Rijksuniversiteit te Leiden. Deze leerstoel was mede op initiatief van het Rotterdams bedrijfsleven totstandgekomen. In 1949 volgde de benoeming tot hoogleraar in de geschiedenis en problematiek der sociologie in de faculteiten der Politieke en Sociale Wetenschappen en der Letteren en Wijsbegeerte aan de Universiteit van Amsterdam. Daarnaast bleef hij zijn bijzonder hoogleraarschap in Leiden uitoefenen. In 1950 werd hij lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.
Vanwege zijn internationale ervaring en talenkennis werd Hofstra directeur van de Stichting voor Internationale Samenwerking der Nederlandse Universiteiten en Hogescholen. Als zodanig was hij vanaf het begin van de jaren vijftig nauw betrokken bij het opzetten van het Institute of Social Studies in Den Haag, dat zich richtte op studenten uit de minder ontwikkelde landen. Centraal stond de studie van problemen die samenhingen met veranderingen in ontwikkelingslanden, een vraagstuk dat Hofstra's warme belangstelling had. In 1952 maakte hij een reis naar India, Pakistan en het Nabije Oosten om daar contacten te leggen. In hetzelfde jaar werd hij de eerste directeur van het instituut. Hofstra vervulde deze functie minder dan een jaar, omdat zij niet bleek te combineren met het hoogleraarschap in Amsterdam en omdat het praktisch-bestuurlijke werk hem niet lag. Wel bleef Hofstra werkzaamheden voor het instituut verrichten. In 1954 maakte hij een reis naar Brits West-Afrika, en in 1955/1956 en 1957 was hij gasthoogleraar aan het Department of African Studies aan de Universiteit van Delhi in India.
In zijn onderwijs ging Hofstra's belangstelling vooral uit naar de sociologische theorie. Hoewel hij behoorde tot een oudere generatie sociologen, kon hij de sterke aantrekkingskracht van de moderne Amerikaanse sociologie op jongere sociologen begrijpen. Zelf kwam hij evenwel op voor een breder spectrum van sociologiebeoefening. Hofstra behoorde niet tot een bepaalde school. Zijn eigen benadering kenmerkte zich door een bedachtzaam, zorgvuldig afwegend en classificerend verkennen van vraagstukken, theorieën en begrippen, waarbij hij waakte voor voorbarige generaliseringen, maar ook niet-conventionele denkwegen bewandelde. Een voorbeeld hiervan is zijn bekend geworden voordracht over 'Het functiebegrip in de sociologie' (in: Handelingen van de 'Nederlandsche Sociologische Vereeniging', december 1946 (Amsterdam 1946) 25-58), dat verscheen voordat het functionalisme ook in Nederland veel aandacht kreeg en voordat de Amerikaanse socioloog Robert K. Merton zijn bekende opstel 'Manifest and latent functions' (in: idem, Social theory and social structure (Glencoe, Ill., 1949)) over het functiebegrip publiceerde. Ook zijn oratie over Het normaliteitsbegrip in de sociologie uit 1950 is illustratief voor zijn aanpak. Hofstra werkte vanuit een sterke maatschappelijke betrokkenheid en hoopte dat kennis van feiten en een wetenschappelijke denkwijze vooroordelen zouden doorbreken en verheldering en inzicht zouden brengen. Kon hij daarom enerzijds begrip opbrengen voor het studentenprotest in 1968 tegen maatschappij en universiteit, anderzijds was dit hem veel te ongenuanceerd. In zijn afscheidsrede Over universiteit, Marcuse en rationaliteit uit 1968 ging hij uitdrukkelijk op het studentenprotest in.
Al in zijn Rotterdamse tijd besteedde Hofstra - vanaf zijn jeugd vegetariër - veel tijd aan de dierenbescherming. Hoezeer deze thematiek hem bezighield, blijkt uit de publicatie kort na de oorlog van het boekje De houding van den mensch tegenover de natuur (1945). In 1953 werd hij gekozen tot hoofdbestuurslid van de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren, in 1958 werd hij secretaris en van 1961 tot 1973 was hij voorzitter. Vanaf 1958 was hij tevens bestuurslid van de Wereldfederatie tot Bescherming van Dieren en van 1966 tot 1974 voorzitter. Verder was Hofstra vertegenwoordiger van de federatie bij de UNESCO, de organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur. Voorts schreef hij talloze artikelen en commentaren in het verenigingsorgaan, waarvan hij na zijn terugtreden als voorzitter nog tot 1976 de redactionele leiding had.
In al deze functies richtte Hofstra zich op praktische zaken ter verbetering van de positie van dieren. Steeds vroeg hij echter ook aandacht voor de achterliggende vragen: de noodzaak om conventionele opvattingen te herzien en de gevoeligheid ten opzichte van dieren te vergroten. In de jaren zeventig nam Hofstra het initiatief tot studie van de bio-industrie met het oog op verbetering van de positie van dieren. Van de door de Vereniging ingestelde Studiecommissie Intensieve Veehouderij maakte hij tot zijn overlijden deel uit.
Reeds vanuit zijn Rotterdamse tijd kende Hofstra Johanna van Overeem, de voormalige directeur van het Maritiem Museum. Met haar ging hij na zijn scheiding in 1972 samenwonen, waarna zij zich een jaar later vestigden in het Westbrabantse Ossendrecht. Hofstra overleed tijdens een vakantie in Zwitserland, waar hij al vele jaren op vakantie heenging.
Sjoerd Hofstra bekleedde onder de eerste naoorlogse generatie van Nederlandse sociologen, dankzij zijn ruime en internationale oriëntatie in het vak, een vooraanstaande positie. Daardoor vielen hem op het terrein van de sociologie talrijke organisatorische en leidinggevende taken toe, al was hij vóór alles sterk theoretisch en minder op praktisch werk gericht. Zijn perfectionisme en diepgewortelde overtuiging van de complexiteit van de werkelijkheid en de vele tijd die hij aan de dierenbescherming besteedde, beletten hem om veel te publiceren.
P: Behalve de in de tekst genoemde publicaties, alsmede artikelen o.a. in Mens(ch) en Maatschappij, Internationales Archiv für Ethnographie, Africa. Journal of the International Institute of African Languages and Cultures, Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap, Nieuw Theologisch Tijdschrift, Het Kouter. Onafhankelijk Tijdschrift voor Religie en Cultuur, Dierenbescherming en Dier ook: Afrikaanse volkenkunde. Problemen, plaats en betekenis [Inaugurele rede] (Leiden 1947); 'Over mens en ding', in Feestbundel aangeboden door vrienden en leerlingen aan prof.dr H.J. Pos ... (Amsterdam 1948) 175-187; 'De verhouding tussen sociologie en culturele anthropologie', in Sociologisch Jaarboek VI 62-83; 'Die gegenwärtige Situation der niederländischen Soziologie', in Die gegenwärtige Situation der Soziologie. Onder red. van Gottfried Eisermann (Stuttgart 1967) 141-181; Enkele culturele en sociale aspecten van een damverbinding met Ameland. Mededelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, afd. Letterkunde. Nieuwe Reeks, XXXIII, nr. 3 (Amsterdam [etc.] 1970); lemma Sorokin, in Sociologische encyclopedie II. Onder red. van L. Rademaker (Utrecht [etc.] 1978) 678-682; 'Sociologie in de jaren dertig en later', in Toen en thans. De sociale wetenschappen in de jaren dertig en nu. Onder red. van F. Bovenkerk [e.a.] (Baarn 1978) 27-35.
L: Behalve necrologieën o.a. door A.R. de Rijck, in Dier 66 (1983) 6 (sept.) 8-9; L. Laeyendecker, in Sociodrome (1983) nr. 4, pp. 2 en 4; idem, in Jaarboek [van de] Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1984 (Amsterdam [etc.] 1984) 184-191: H.P.M. Goddijn, Het funktionalisme in de sociologie (2de verm. druk; Assen 1968); Toen en thans. De sociale wetenschappen in de jaren dertig en nu. Onder red. van F. Bovenkerk [e.a.] (Baarn 1978); Peter Kloos, 'Into Africa. Dutch anthropology and the changing colonial situation', in Antropologische Verkenningen 11 (1992) 1 (voorjaar) 49-64; Adam Kuper, Anthropology and anthropologists. The modern British school (3de herz. en verm. dr.; Londen [etc.] 1996) 67-69; L. Laeyendecker, 'S. Hofstra. Bedachtzaam en zijn tijd vooruit', in In de zevende. De eerste lichting hoogleraren aan de Politiek-Sociale Faculteit in Amsterdam. Onder red. van J. Goudsblom [e.a.] (Amsterdam 1998) 82-95; Herman Noordegraaf, 'Hofstra en Laeyendecker. Sociologische en andere observaties over de verhouding tussen mensen en dieren', in Homo Prudens. Religie, cultuur en wetenschap in de moderne samenleving. Onder red. van André Köbben [e.a.] (Leende 2000) 172-181.
I: In de zevende. De eerste lichting hoogleraren aan de Politiek-Sociale Faculteit in Amsterdam. Onder red. van J. Goudsblom [e.a.] (Amsterdam 1998) 82.
H. Noordegraaf
Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013

Gezin 1

Huwelijkspartner: Johanna Bernardina van Overeem geb. 1913 overl. 1 Apr 2007
Huwelijk:

Gezin 2

Huwelijkspartner: Woutera Hendrika van den Bergh van Eysinga geb. 25 Mrt 1914
Huwelijk: 30 Dec 1935 Santpoort ??
Scheiding: 22 Sept 1972