Pieter Roelf Barkema

Geslacht: Man
Vader: Roelf Barkema
Moeder: Trijntje Titia Datema
Geboren: 5 Nov 1924 Alkmaar
Overleden: 24 Feb 2005 Amsterdam
Aantekeningen: In memoriam Pieter Roelf Barkema door Gert van Klinken
(1924-2005)
De moeilijke kunst van het loslaten heeft Piet al vroeg geleerd. Geboren in Alkmaar in 1924, vertrok hij spoedig daarna met zijn ouders naar Amerika. Vader en moeder kwamen allebei uit gereformeerde boerengeslachten uit de provincie Groningen. Piet’s vader was evenwel arts geworden én theosoof. Hij ging werken in een sanatorium in Alpine, California, en later in Berkeley. Piet beleefde er een onbekommerde jeugd. Tót zijn vader een longontsteking opliep. Het gebeurde op een druk moment, dokter Barkema liep ermee door - en overleed na een ziekte van slechts enkele dagen. Zijn vrouw, van het ene op het andere moment weduwe geworden, reageerde snel. Binnen enkele weken nam zij met de urn van haar overleden man en haar beide kinderen (er was een zusje Dini) de boot terug naar Nederland, door het Panama-kanaal. Piet’s moeder ging terug naar haar vader, predikant in Driebergen, voor wie ze de huishouding ging doen. ‘Vanaf dat moment’, zei Piet, ‘was zij niet langer de echtgenote van dokter Barkema, maar de dochter van dominee Datema.’ De relatie tussen moeder en zoon zou sedertdien wederzijds respectvol blijven - maar op afstand. In zekere zin was Piet zijn beide ouders kwijt.
De kinderen kwamen onder voogdij. Piet werd opgevoed door zijn grootmoeder in Roden, ging op klompen naar de christelijke school aldaar. Het portret van deze grootmoeder heeft tot het laatst toe naast zijn bed gestaan. Wellicht zijn de kiemen van een enigszins stoïcijnse instelling, die in zijn persoonlijk leven grensde aan fatalisme, bij Piet door deze jeugdervaringen gelegd. Maar er waren ook andere aspecten: een onmiskenbare drang om zich door hard te werken een weg te banen in het leven - na zijn twaalfde met de stoomtram naar de HBS in Groningen - en de liefde. Hij heeft veel gehouden van Greet de Jong. Voor hem was een favoriete herinnering hoe zij beiden, tieners nog maar, hand in hand over een heideveld bij Roden wandelden. ‘Zo wonderlijk’, zei Piet in 2001: ‘Dat heideveld is er niet meer, dat meisje niet en de jongen die ik toen was ook niet meer.’
De oorlog kwam. Hij zag hoe een joods gezin op transport werd gezet door de dorpsveldwachter. Zelf werd hij in kamp Amersfoort geïnterneerd, als drager van een dubbele (Nederlands-Amerikaanse) nationaliteit. Was het niet confronterend om zijn moeder en zus onder dergelijke omstandigheden terug te zien?, vroeg ik Piet eens. ‘Nee hoor’, zei hij. ‘Dergelijke dingen gebeuren gewoon.’ Een zwarte Amerikaanse leerde hem dansen in de barak. Maar hij zag ook hoe daarbuiten wethouder Monne de Miranda, van het Raphaëlplein, werd doodgeslagen. Na uit het kamp te zijn ontslagen dook Piet onder in de Wieringermeer. Hij vond onderdak bij een naar de polder geëmigreerde tak van de familie Aukema, een oud geslacht uit de gemeente Roden. Toen de polder begin 1945 onder water werd gezet, fietste Piet met een fles raapolie op de bagagedrager naar Driebergen. Hij sprak zeer koel over deze ervaringen. Pas later las ik dat de Duitsers aan de rand van de polder op de onderduikers hadden staan wachten en dat er mensen werden doodgeschoten.
Opwinding kwam pas in Piet’s stem toen hij vertelde wat er daarná gebeurde, na de bevrijding: de studie medicijnen in Utrecht, het werk als neuroloog, het huwelijk met Greet. In de motivatie om voor medicijnen te kiezen, keerde plotseling de naam van de verdwenen vader terug: Piet wilde zeer bewust in diens voetspoor treden. Hij heeft daar zijn volle inzet voor gegeven: als student in Utrecht, als arts in opleiding in de Valeriuskliniek, als neuroloog in Wolfheze en in Ermelo (Veldwijk). Piet behoorde tot de generatie die Nederland na de oorlog heeft opgebouwd. Nauwelijks in staat om woorden te vinden voor de emoties van die donkere jaren, maar met een geweldige motivatie om een bijdrage te leveren aan een nieuwe, betere toekomst voor velen. Greet en hij kregen in de jaren vijftig tot hun vreugde twee kinderen: Peter en Manella.
De eerste zorgen om Greet begonnen in 1961. Een jaar later verhuisden de Barkema’s uit Ermelo naar de De Lairessestraat in Amsterdam. Piet ging werken in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis bij het Oosterpark. In Amsterdam-Zuid maakte hij de laatste fase van de klassieke gereformeerde elite mee, als ouderling van de Raphaëlpleinkerk. In deze jaren van opbouw kwam toch weer de bittere opgave van het loslaten. Greet trok zich thuis verder en verder terug in een eigen wereld, voor hem tenslotte niet meer bereikbaar. In 1991 overleed kleinkind Jimmy, in 1996 Greet, in 1998 Peter.
Zojuist is opgemerkt dat Piet, in de omgang met zijn persoonlijke verliezen, neigde tot iets stoïcijns, verwant aan fatalisme. Dat het ook ánders kan, dat mensen vanuit hun geloof het lot voor elkaar kunnen verzachten, heeft Piet ervaren in zijn werk en in de kerkelijke gemeenschap in brede zin. In 1978 stapte hij over naar de Keizersgrachtkerk. Hij zette zich actief in voor die gemeenschap, net als voor - nooit kon hij die naam uitspreken zonder te glimlachen - de 'Vereniging tot Verbreiding der Waarheid' aan de Elandsgracht. Het gezelschap hield zich bezig met sociaal werk, ondermeer de opvang van gestrande jonge toeristen. In de Van Goghstraat nam Piet het initiatief van de overleden Anneke Bolt over om te komen tot een hospice voor stervenden (Het Veerhuis).

Gezin 1

Huwelijkspartner: Greetje de Jong
Kinderen:
  Manella Barkema Male
  Peter Barkema Male