Johannes de Graaf

Geslacht: Man
Vader: Hendrik Tjakko de Graaf
Moeder: Mary Reitsma
Geboren: 14 Juli 1911 Norg
Overleden: 24 Apr 1991 Heemstede
Aantekeningen: GRAAF, JOHANNES (HANNES) DE. Norg 14 juli 1911, tHeemstede 24 apr. 1991. Zn. van dr. Hendrik Tjakko de Graaf. herv. pred. (z.a.), en Mary Reitsma. Stud. theol. Leiden 1929: dr. theol. 1949 (promotor: L . J . van Holk); dr. theol. h.c. Reformatorische faculteit Cluj (Roemenië) 1969. Algemeen secretaris van de Vrijz.-Chr. Jeugd Centrale te Utrecht 1935. Pred. Medan (Sumatra) 1939. Herv. pred. Haarlem 1946, Arnhem 1952. Hoogl. Utrecht 1955-1976 (ethiek; emer.). Hij huwde in 1935 in De Bilt met Johanna Hilda Adriana de Roever, arts (* 1908).
De vader van De G . behoorde tot de theologische moderne richting, was religieus-socialist en had een abonnement op de Pravda: zijn moeder was een dochter van de Groningse kerkhistoricus J. Reitsma. De humanistisch-chr. sfeer thuis was hartelijk, sober, met een vanzelfsprekend respect voor ieder mens en andere levensover tuigingen. Van jongsaf werden met de kinderen Dante, Shakespeare en andere klassieken gelezen. Johannes, steeds Hannes genoemd, was de jongste van drie kinderen. Naar school ging hij in Zutphen, waarheen zijn vader inmiddels beroepen was, en vanaf 1926 te Leiden, waar zijn vader tot hoogl. godsdienstwijsbegeerte en ethiek was benoemd. Hijzelf kreeg in de zomer van 1926 kinderverlamming, herstelde langzaam en slechts gedeeltelijk: het linkerbeen bleef verdord. Het eindexamen gymasium-a werd in 1929 afgelegd.
Het plan om theologie te studeren stond al lang vast. Hij werd lid van het theologendispuut Quisque Suis Viribus, waar hij een stimulerende studie- en vriendenkring vond. Als bijvak studeerde hij Russisch in Leiden bij prof. Van Wijk
en in Amsterdam bij prof. B . Becker. Een semester in Straatsburg verbreedde zijn kennis van m.n. de ethiek. De Vrijz. Chr. Studenten Bond bood een godsdienstig tehuis; in 1932 bekleedde hij het landelijk voorzitterschap. Het
doctoraal, hoofdvak godsdienst wijsbegeerte en ethiek bij L . J . van Holk, haalde hij in 1935 cum laude.
De G . werd eerst algemeen secretaris van de Vrijz. Chr. Jeugd Centrale, nam echter spoedig het beroep aan naar de prot. gemeente in Medan op Sumatra. De Indische kerk kende geen rich- tingstrijd, zeker niet na de Japanse inval. Het gezin werd in 1942 gescheiden geïnterneerd en hijzelf werd door de Kempeitai stevig verhoord wegens vermeende deelname aan een verzetsgroep. Hij was pastor van het hele kamp. Met een mede-geïnterneerde Rus ontstond er een vriendschap met wederzijds taai-onderricht en gesprekken over de Russische orthodoxie. Later zou hij zeggen dat hij in Indië heeft geleerd in de oecumene te leven. En zoals voor zijn vader de leer van de Heilige Geest het hart van geloof en theologie uitmaakte, zo ging hijzelf steeds meer christocentrisch denken, waarbij christologie en navolging van Christus een twee-eenheid vormden. De atoombommen op Hiroshima en Nagasaki in aug. 1945 brachten de bevrijding, maar maakten De G . tot antimilitarist.
Terug in ons land werd De G . beroepen bij de Vrijz. Hervormden in Haarlem. Ook trad hij toe tot "Kerk en Vrede", was er vanaf 1951 twintig jaar voorzitter van en tevens haar voornaamste spreker en publicist. Hij hervatte de studie van het Russische christendom. Een week in Parijs aan het Orthodoxe Seminarie leidde tot intensie-ve gesprekken met N . A . Berdjajev. In 1949 promoveerde hij op De anthropologie in de moder-ne Russische wijsgerige theologie (handelseditie: Russische denkers over de mens). Mede op grond daarvan leidde hij later, in 1956, de eer-ste delegatie van de Wereldraad van Kerken naar de kerken in de Sovjetunie. Tevens gaf hij lessen op het in 1945 gestichte herv. opleidingscentrum voor kerkelijke medewerkers Kerk en Wereld in Driebergen.
In 1952 nam De G . het beroep naar de Vrijz. Hervormden in Arnhem aan. De kerkeraad daar aanvaardde hem niet als predikant: hij werd voorganger van de Vereniging van V r i j z . Hervormden. Het nieuwe kerkopbouw-elan in de Herv. kerk kreeg zijn volle steun. Politiek maakte de teleurstelling over de houding van de PvdA inzake de politionele acties in Indonesië hem tot een van de oprichters en later voorzitter van de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP).
In 1955 werd De G . benoemd tot hoogleraar ethiek aan de Utrechtse Faculteit der God-geleerdheid, benevens de Centrale Interfaculteit; ook studenten van de Kath. Theol. Hogeschool aldaar werden in staat gesteld colleges bij hem te lopen en tentamens af te leggen. Deze benoeming als opvolger van J. Severijn, een vertegenwoordiger van de Geref. Bond, werkte als een schok, nog eens gecompliceerd doordat De G . direct na zijn oratie gedurende een halfjaar het ziekbed moest houden. Zijn oratie handelde over Ethiek en eschaton.
De G . zocht in de ethiek zijn eigen weg. Op vergaderingen van vakgenoten zag men hem zelden. De gebruikelijke ethische systemen waren hem te eenzijdig. Een (kantiaanse, deontologische) beginselethiek bekommerde zich z.i. te weinig om de resultaten, een (teleologisch) uti-lisme en eudaemonisme verzuimde het doel en het resultaat ethisch te beoordelen. De in zijn dagen populaire analytische methode achtte De G. nuttig voor de kritische zuivering van de begrippen en argumenten, maar hij miste erin wat voor hem de hoofdzaak van de ethiek was: de inhoudelijke bepaling van het ethische en het onderzoek naar de toepassing in de praktijk. De G. zocht zijn ethiek zo dicht mogelijk bij de werkelijkheid. Niet dat het ethische uit de bestaande toestand kan worden afgeleid, het dient wel in de bestaande toestand te worden ontdekt: als mogelijkheid en opdracht, ten einde de werkelijkheid zo goed mogelijk tot haar recht te brengen. Hèt goede bestaat dus niet, zeker niet in absolute zin; er is alleen het zo-goed-mogelijke, het betere-dan-... (meliorisme, situatie-ethiek, verantwoordingsethiek). In de Bijbel, m.n. in de Bergrede, vond hij hiervoor argumenten genoeg, zonder dat hij overigens de ethiek als het prerogatief van het geloof beschouwde. Zo kwam hij tot de volgende definitie: ethiek is de systematische bezinning op verantwoordelijk handelen. Aldus beoefend zal de theorie steeds aan de praktijk worden getoetst en zal de praktijk zich laten oriënteren door het theoretisch inzicht. De ethicus kan zijn vak niet beoefenen door in zijn studeerkamer of in de collegezaal te blijven. De G. werd een pionier in de politieke ethiek, m.n. inzake oorlog en vrede, doch feitelijk niet minder t.a.v. het Sovjet-communisme en het democratisch socialisme. Wat de jeugd bewoog hield hem bezig; Ethiek van het immoralisme (1961) verraadt zijn grote begrip
voor de veranderingen in de moraal. Verder was De G. een van de eerste ethici die de medische ethiek bestudeerden (abortus, euthanasie e.d.), die het feminisme respecteerden en die opkwamen voor een dier-ethiek. Vanuit een grondige kennis van de ethiek hield De G. naast de colleges talloze lezingen en discussies in onderscheiden vakkringen, en schreef hij artikelen die de kwesties in een nieuw licht stelden en de mensen aanspraken: De G. dacht, sprak en schreef wetenschappelijk verantwoord èn populair in de beste zin van het woord. Kenmerkend voor zijn werkwijze is In gesprek met de bergrede (1957).
Vanaf de oprichting in 1958 zat De G. in het bestuur van de (Praagse) Chr. Vredesconferenties, waarin de vredesbewegingen van Oost- en West-Europa samen een uitweg uit de politieke impasse van de 'koude oorlog' zochten, op grond van hun gemeenschappelijk chr.geloof. Initiatiefnemers waren de Tsjechische theoloog J.L. Hromadka en zijn Westduitse collega H.J. Iwand. Uit de Russisch-orthodoxe kerk, die nog niet bij de Wereldraad van Kerken was aangesloten, kwam patriarch Nikodim in het bestuur. Een werkcomité, waarvan De G. vice- voorzitter werd, legde contacten met geloofsge- noten tot in Latijns-Amerika, Afrika en China.
Vanaf 1961 werden in Praag driejaarlijkse conferenties gehouden. Het probleem rees dat christenen uit West-Europa weliswaar kritiek hadden op de politiek van hun eigen regeringen, maar dat men in Oost-Europa het Sovjetleger een vredesmacht bleef noemen - de westerse regeringen golden daar als oorlogsophitsers.
Toen de Nederlander K. Strijd in 1960 daartegen openlijk protesteerde, met instemming van De G., werd dit niet gewaardeerd. Een toenadering leek mogelijk totdat, in 1968 na het neerslaan van de 'Praagse lente', de secretaris onder Russische druk werd ontslagen. Voorzitter Hromadka diende solidair ook zijn ontslag in.
Buiten de eigen vergaderingen werd een nieuw bestuur benoemd; De G. en anderen die protesteerden ontvingen geen bericht meer over bestuursvergaderingen. De G ., vice-voorzitter, zag zich gedwongen ontslag te nemen. De conferenties bloedden daarop in korte tijd dood. Daarentegen kon De G. het internationale werk al spoedig hervatten toen hij door de Internationale Broederschap der Verzoening (IFOR) tot voorzitter werd gekozen (1969- 1974).
Na zijn emeritaat in 1976 bleef De G. preken, zoals hij ook gedurende zijn professoraat steeds had gedaan. In 1995 schreef de Engelse componist John Rutter een Requiem voor De G. en zijn vriend en medewerker A. Hassler, dat in dat jaar ook in Nederland werd uitgevoerd.
G e s c h r. : Zie de bibliografie in: Kerk en vrede. 223-226.
- Bibliografische aanvullingen in: H. de G . . In dienst van de vrede. Opstellen aangeboden ter gelegenheid van de vijfenzeventigste verjaardag van J. de G. op 14 juli 1986, samenst. P.A. Tichelaar en H. Zeldenrust. Kampen 1987. 183-187; en in: Hannes de G., 142-143.
L i t. : Kerk en vrede. Opstellen aangeboden aan J. de G.., o.r.v. A. van den Beid en E. Schroten. Baarn 1976. - Tussen geest en tijdgeest, reg. in v. - H.J. Heering, J. de G. (* 1911). In: Quisque suis viribus 1841-1991. 150jaar theologie in dertien portretten, o.r.v. R.B. ter Haar Romeny en Joh. Tromp, Leiden 1991. 244-262. - Dez.. H. de G. In: Gidsen en getuigen op de pelgrimage naar vrede, o.r.v. P. van Dijk (e.a.). (Gorinchem 1999), 161-166 (met portret). - Hannes de G. 1911-1991. Een leven in dienst van de vrede, o.r.v. H.J. Heering, H. Noordegraaf en H. Zeldenrust. Gorinchem 1992.
- B.J. Brouwer. Er zijn tenslotte grenzen. De Nederlandse kerken en het vraagstuk van de moderne oorlog, 1945-1965. Kampen 1993. reg. in v. - Het jonge hart. Het verhaal van de Vrijzinnig Christelijke Jeugd Centrale. 1915-1985, o.r.v. C .
Boer (e.a.). Zoetermeer 1994, reg. in v.
H.J. HEERING