Pieter Tesch

Geslacht: Man
Vader: Johan Wendel Tesch
Moeder: Trijntje Stoffel
Geboren: 2 Jan 1879 Den Haag
Overleden: 19 Sept 1961 Haarlem
Beroep: geoloog, dir. Rijks Geologischen Dienst
Aantekeningen: Vader Tesch was een bekend wiskundige en werd in 1878 beheerder van het instituut Van Vliet te 's-Gravenhage, de 'School van Tesch'. Pieter Tesch ging uiteraard naar deze school en kwam pas in de 4de klas op de 5-jarige HBS aan het Bleijenburg. Hij bracht zijn vrije tijd vooral in de duinen door. Liefde voor de natuur was hem en zijn broer Johan Jacob aangeboren. Vogels en kevers waren hun specialismen. Onder leiding van de leraar biologie jhr.dr. E.J.G. Evertz verzamelden zij een kevercollectie die later ten dele is opgenomen in de Fauna Neerlandica van het Museum voor Natuurlijke Historie te Leiden. Hun eierverzameling berust nu nog bij Artis. In 1897 kwam hij aan in de afdeling mijnbouw van de Polytechnische school te Delft. Dr. J.L.C. Schroeder van der Kolk en ir. C.J. van Loon werden zijn leermeesters in resp. de geologische en technische vakken, later ook ir. S.J. Vermaes voor docimasie (scheikundig onderzoek van mineralen voor technisch gebruik) en metallurgie. In 1902 behaalde Tesch het ingenieursdiploma en in 1908 promoveerde hij in de technische wetenschappen op het proefschrift: Der niederländische Boden und die Ablagerungen des Rheines und der Maas aus der jüngeren Tertiär- und der älteren Diluvialzeit. Tesch was ruim 1 jaar assistent bij prof. S.J. Vermaes en daarna werkzaam bij de firma Jos. de Poorter in Rotterdam voor het analyseren van ertsen.
Op 1 mei 1904 trad Tesch als ingenieur in dienst van de Opsporing van Delfstoffen van Staatswege. De jaren tot 1908 zijn in de opsporing zeer spannend geweest. Men stond voor de vraag waarom de eerste diepteboringen van de Dienst der Rijksopsporing van Delfstoffen (R.O.v.D.) mislukt waren. De directeur van deze dienst jhr.mr.dr. W.A.J.M. van Waterschoot van der Gracht was tot de conclusie gekomen dat er in Midden-Limburg en Oost-Brabant van een door NW-ZO breuken bepaald horsten- en slenkenveld sprake was. Tesch vond de weg waarlangs op een doeltreffende wijze het verloop van deze breuken kon worden gekaarteerd met behulp van oppervlakte-kaartering en ondiepe boringen. Hij stelde nl. vast dat op de horsten het diluvium dun is en dat daaronder donkergroene mariene glauconietzanden lagen, terwijl in de slenken tussen een veel dikker bovenliggend diluvium en de mariene zanden steeds een dik pakket fluviatiele kwartszanden met oölithen optraden. Toen dit eenmaal bekend was, was de kans op mislukken van diepboringen, d.w.z. niet op bereikbare diepte aantreffen van produktief Carboon, vrijwel uitgesloten.
In 1909 werd Tesch districtsgeoloog, sinds 1915 waarnemend leider en van 15 januari 1917 tot juli 1924 had hij de leiding van de R.O.v.D. Ondertussen was hij op 1 juli 1918 tevens benoemd tot directeur van de juist ingestelde Rijks Geologische Dienst wat hij tot zijn pensioen in 1944 zou blijven. De R.O.v.D. heeft behalve steenkoolvelden in de Peel, ook zout in de Achterhoek en Twente gevonden, alsmede de eerste sporen van olie in de ondergrond van Nederland ontdekt. Door haar werkzaamheden had deze dienst duidelijk aangetoond dat Nederland behoefte had aan een geologische kaart. Toen Tesch directeur van de Rijks Geologische Dienst was, werd dit ambitieus plan begonnen. De Geologische kaart 1 : 50.000 zou zijn hoofdwerk worden. Hij had op zich genomen samen met 3 of 4 geologen deze kaart in 25 jaar te vervaardigen. Tesch heeft zelf vastgesteld wat op de kaart onderscheiden moest worden. Volgens hem moest deze kaart een geologische zijn en diende er geen aandacht besteed te worden aan bodemkunde, omdat de geologische aard van de kaart dan geweld zou worden aangedaan. Hij bewerkte zelf de macrofossielen zowel de mariene als zoetwaterschelpen. De R.O.v.D. had vooral in het Oosten gewerkt en vandaar stamde de aanvankelijke indeling van het Pleistoceen in laag terras, midden terras en hoog terras, welke indeling nu ook in de rest van het land uitgekarteerd moest worden. Van de holocene gebieden was minder bekend. Zijn eerste studieterrein was de duinen. Hier vond hij de sleutel voor de holocene stratigrafie. Van de 160 bladen 1 : 50.000 kaarteerde Tesch er zelf 68, over het gehele land verspreid. De vooruitgang t.o.v. de kaart van Staring (1852-1858) blijkt te liggen in het grotere begrip omtrent de oorsprong van de kwartaire lagen. In 1920 werd de opname begonnen en de eerste kaartbladen verschenen in 1926. Van 1927 t/m 1938 zijn er per jaar gemiddeld 11 kaartbladen uitgekomen. In de oorlogsperiode heeft Tesch gewoon kunnen doorwerken en leiding gegeven aan 'gestrande' jonge geologen die oude verzamelingen bewerkten in het kader van het geologisch onderzoek in opdracht van de gezamenlijke steenkolenmijnen in Limburg.
Naast zijn kaartering en andere wetenschappelijke werkzaamheden was Tesch ook actief op geestelijk en maatschappelijk terrein. Zo was hij aanvankelijk lid van de Doopsgezinde Broederschap en kon hij bestuurlijk werk doen: hij was de eerste penningmeester van het Koninklijk Nederlandsch Geologisch en Mijnbouwkundig Genootschap (KNGMG) en een der oprichters van het Natuurhistorisch Genootschap in Limburg. Ook in deze functies kwamen zijn kwaliteiten die hij als ambtenaar demonstreerde tot uitdrukking: punctueel, ordelijk en volhardend, door en door fatsoenlijk en betrouwbaar. Een gegeven belofte kwam hij na. Hij heeft het niet altijd gemakkelijk gehad gezien de problemen rond de gezondheidstoestand van zijn vrouw.
Tesch heeft voor de kennis van de geologie van Nederland zeer veel betekend door zijn aandeel in de localisering van de Peelhorst, waarin de potentiële steenkolenmijnen in de Peel, de ontdekking van de steenkool en de zoutvoorkomens in Twente en de Achterhoek (wat o.a. tot gevolg gehad heeft de oprichting van de Koninklijke Nederlandse Zoutindustrie), zijn vasthouden aan de idee van potentiële olie en gasvoorkomens in de ondergrond van Nederland en het aantonen daarvan in de R.O.v.D. boring Corle, zijn 1 : 50.000 geologische kaart en zijn grote invloed op de verbreiding van de geologische kennis en belangstelling in Nederland via zijn vele publikaties, voordrachten en door hem geleide excursies in vak- en geografen kringen. Aanvankelijk heeft Tesch niet overal de waardering gekregen, die men hem later vanzelfsprekend toedacht. Met name was zijn weinige flexibiliteit t.o.v. de legenda en inhoud van de Kaart aanleiding tot kritiek. Niettemin is hem veel lof en eer ten deel gevallen blijkend uit het erelidmaatschap van het KNGMG en sinds 1920 was hij Membre honoraire van de Société belge de géologie te Brussel.
Bibliografie tot 1943 samengest, door J.F. Steenhuis in onder L vermeld Gedenkboek..., 25-36 met aanv. daarna door A.A. Thiadens in zijn hieronder genoemde necrologie.
Gedenkboek... aangeboden aan Dr.Ir. P. Tesch ('s-Gravenhage, 1944). [= Verhandelingen van het Geologisch-Mijnbouwkundig Genootschap voor Nederland en koloniën. Geologische serie: 14]; A.A. Thiadens, in Geologie en Mijnbouw 40 (1961) 347-351; Redactie, in Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap 78 (1961) 333.
A.A. Thiadens
Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 05-09-2003

Gezin 1

Huwelijkspartner: Johanna Matthea Maria Jacoba Poeschmann geb. 9 Sept 1882 overl. 6 Juni 1967
Huwelijk: 24 Jan 1905 Den Haag
Kinderen:
  Johan Wendel Tesch Male geb. 16 Nov 1905
  Wilhelm Andreas Tesch Male geb. 18 Aug 1907
  Toosje Johanna Tesch Male geb. 28 Mei 1912 overl. 18 Jan 1913