Victor Westhoff

Geslacht: Man
Vader: Joan Frederik Westhoff
Moeder: Petronella Maria Schols
Geboren: 12 Nov 1916 Sitoebondo, Java, Nederlands-Indië
Overleden: 12 Mrt 2001 Zeist
Beroep: plantkundige, natuurbeschermer en dichter
Aantekeningen: Victor ('Vic') Westhoff bracht zijn eerste levensjaren door op Java waar zijn vader in Sitoebondo administrateur van een suikerfabriek was. Omdat Victor malaria kreeg, keerde het gezin in 1920 terug naar Nederland en vestigde het zich in Laren in Het Gooi. Zijn moeder, door Westhoff later gekenschetst als 'idealist en antimilitarist', had een herbarium en gaf haar liefde voor planten aan hem door. Op de lagere school - de Humanitaire School ('de Hum') in Laren - was Victor een buitenstaander, maar tijdens zijn gymnasiumjaren in Hilversum vond hij aansluiting bij gelijkgestemden in de Nederlandsche Jeugdbond voor Natuurstudie (NJN). Hij werd al snel 'vakman', de NJN-term voor excursieleider.
Nadat Westhoff in 1934 de opleiding gymnasium-B had afgerond, ging hij biologie studeren aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, met hoofdrichting plantkunde. Hij was tijdens zijn studie lid van de Sociaal-Democratische Studentenclub en van de Nederlandsche Bond van Abstinent Studerenden, en hij woonde enkele jaren in het linkse studentenhuis 'De Wig'. Ook in de NJN bleef hij actief. Zo was hij in 1937 de oprichter van de 'Sjocgroep', de plantensociologische werkgroep van de NJN, met het bijbehorend tijdschrift Kruipnieuws. Westhoffs aanleg voor populaire natuurbeschrijving kwam naar voren in Kotten, zoals de NJN het zag uit 1938. Dit veelgelezen boekje combineert idyllische sfeertekening met waarschuwingen voor de dreigende teloorgang van de natuur en is daarmee typerend voor veel van Westhoffs geschriften.
Het hoogtepunt van Westhoffs biologiestudie was een verblijf van vier maanden, in 1939, op het Station internationale de géobotanique méditerranéenne et alpine (SIGMA) in Montpellier, bij de vooraanstaande Frans-Zwitserse plantensocioloog Josias Braun-Blanquet, die zijn belangrijkste leermeester werd. Samen met de bioloog Jacques Meltzer schreef Westhoff in 1940 een Inleiding tot de plantensociologie, de eerste - gestencilde - handleiding op het vakgebied, geënt op het werk van Braun-Blanquet, die twee jaar later onder dezelfde titel als boek verscheen. Op 6 juli 1942 legde hij in Utrecht het doctoraalexamen af. Ruim twee weken later trouwde hij met Nettie de Joncheere, een biologiestudente die hij bij de NJN had leren kennen. Tussen 1946 en 1952 zouden uit dit huwelijk vijf kinderen worden geboren.
In 1943 werd Westhoff - 27 jaar oud - hoofd van de afdeling Landschapsverzorging van de Algemeene Nederlandsche Wielrijders Bond (ANWB) in Den Haag. In deze functie, die hij tot 1947 zou uitoefenen, begon hij met de opbouw van een netwerk van relaties op het terrein van natuurbehoud, bosbeheer, landschapsarchitectuur en ruimtelijke ordening. In 1947 werd hij wetenschappelijk adviseur van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten; deze deeltijdfunctie zou hij tot 1968 vervullen. Tal van adviseurschappen en bestuursfuncties op het terrein van de natuurbescherming zouden volgen, onder andere bij de Contact-Commisie voor Natuur- en Landschapsbescherming, de Natuurbeschermingsraad en bij verscheidene provinciale 'Landschap' stichtingen.
Op 7 juli 1947 promoveerde Westhoff in Utrecht cum laude bij de botanicus A.A. Pulle op een proefschrift waarvan een Engelse samenvatting verscheen als The vegetation of dunes and salt marshes on the Dutch Islands of Terschelling, Vlieland and Texel. In hetzelfde jaar werd hij wetenschappelijk ambtenaar op het Laboratorium voor Plantensystematiek en -geografie van de Landbouwhogeschool te Wageningen. Hier zou hij met zijn medewerkers de Nederlandse plantensociologie - ook vegetatiekunde genoemd - verbreden tot een volwassen onderzoeksgebied. Hoofddoel van de toenmalige plantensociologie was de systematische inventarisatie, beschrijving en classificatie van plantengemeenschappen. Westhoff en de zijnen concentreerden zich hierbij op Nederland.
In zijn Wageningse tijd legde Westhoff internationale contacten. Vooral het contact met de Duitse plantensocioloog Reinhold Tüxen, voorzitter van de in Göttingen gevestigde Floristisch-soziologische Arbeitsgemeinschaft, was vruchtbaar. Met Braun-Blanquet en Tüxen maakte Westhoff jarenlang deel uit van de redactie van het internationale vaktijdschrift Vegetatio.
Vanaf 1957 zette Westhoff zijn inventarisatie van Nederlandse plantengemeenschappen voort als hoofd van de afdeling Botanie van het pas opgerichte Rijksinstituut voor Veldbiologisch Onderzoek ten behoeve van het Natuurbehoud (RIVON) in Utrecht. Zijn onderzoek richtte zich meer en meer op de ecologische interpretatie van het onder zijn handen groeiende systeem van plantengemeenschappen.
In 1967 werd Westhoff benoemd tot buitengewoon hoogleraar botanie aan de Rooms-Katholieke Universiteit te Nijmegen en eind 1968 tot gewoon hoogleraar. Hij zette hier de afdeling Geobotanie op, die een internationaal centrum werd van plantensociologisch onderwijs en onderzoek. Westhoff was een goed docent, die graag een kring van getrouwen om zich heen had. Hij was erudiet en stimulerend, maar kon vanwege snelle stemmingswisselingen grillig overkomen op wie hem minder goed kende. Als promotor of copromotor was hij betrokken bij twintig promoties. Een ander belangrijk resultaat van Westhoffs arbeid was een - samen met zijn student-assistente A.J. den Held geschreven - internationaal geprezen handboek, Plantengemeenschappen in Nederland (1969).
Westhoff de plantensocioloog en Westhoff de natuurbeschermer waren nauwelijks te scheiden. Zijn wetenschappelijk werk leverde de onderbouwing van de standpunten die hij als deskundige op het gebied van natuurbehoud innam. Zo slaagde Westhoff er in 1945 in een slepende controverse onder natuurbeschermers te beslechten op basis van zijn plantensociologische inzichten. De strijdvraag was wat de beste manier was om de natuur in stand te houden. Sommige biologen vonden dat natuurgebieden ongerept moesten blijven, zonder menselijke interventie. Dit was ook de opvatting van de NJN, die 'oernatuur' wilde handhaven. Anderen meenden dat menselijk ingrijpen toelaatbaar was. De Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten huldigde het laatstgenoemde standpunt. Het gegeven dat de vereniging de exploitatiekosten van natuurbeheer kon drukken met opbrengsten zoals riet, hout en eieren was hieraan niet vreemd.
Westhoff bood de oplossing door het begrip 'half-natuurlijk' te introduceren. Ongerepte natuur was er bijna niet meer in Nederland, betoogde hij. De karakteristieke Nederlandse vegetatietypen, zoals heide, hooi- en rietlanden, waren ontstaan onder invloed van menselijke activiteiten. Heide was bijvoorbeeld ontstaan door houtkap in het oorspronkelijke bos, waarna begrazing door schapen of runderen, afplaggen en strooiselrapen hadden verhinderd dat het bos zich herstelde. Anders dan in het geval van cultuurland echter, waar de mens bepaalde welke planten er groeiden, waren de plantengemeenschappen van de heide, de rietlanden etc., op min of meer natuurlijke wijze ontstaan. Westhoff noemde deze vegetatietypen daarom 'half-natuurlijk'. Alleen volledig natuurlijke gebieden, zoals delen van het hooggebergte en sommige bossen en kustgebieden, konden het zonder de mens stellen. Half-natuurlijke vegetaties bestonden bij de gratie van menselijk beheer.
Dit inzicht is richtinggevend geweest voor het natuurbeheer in Nederland in tweede helft van de 20ste eeuw. Overigens ging het hierbij niet om een uniek Nederlandse ontwikkeling. Soortgelijke ideeën werden bijvoorbeeld in de jaren dertig in Groot-Brittannië ontwikkeld door de ecoloog Alfred Tansley. In Nederland werd dankzij het nieuwe gezichtspunt de term 'natuurbescherming' meer en meer vervangen door 'natuurbehoud' en 'natuurbeheer'. In Engeland gebeurde hetzelfde: 'nature preservation' werd 'nature conservation'.
Een belangrijke inspiratiebron voor Westhoffs visie op natuurbeheer was het idee van wetenschappelijke planning. De planningsgedachte kwam op in de jaren twintig en had als doel de maatschappij efficiënt, volgens wetenschappelijke principes in te richten. Landschapsarchitecten en andere deskundigen meenden dat ook natuurgebieden een plaats moesten krijgen bij de inrichting van stad en land. Westhoff bouwde in de jaren veertig nauwe contacten met de planners op. Ook het natuurbehoud verkeerde naar zijn idee in een 'planningsfase': in plaats van, zoals gebruikelijk, bedreigde natuurgebieden ad hoc te verdedigen, konden natuurbeheerders nu voor de toekomst bepalen wat behouden moest blijven. Zo was al in 1942, als onderdeel van het 'Nationaal Plan' - een ontwerp voor de inrichting van heel Nederland - een lijst opgesteld van natuurgebieden die niet aangetast mochten worden.
Behalve bij het aanwijzen van belangrijke natuurgebieden, kon de plantensociologie in Westhoffs ogen ook adviezen leveren voor natuurbeheer. Gebruikmakend van inzichten uit de cybernetica en de informatietheorie ontwikkelden Westhoff en zijn RIVON-collega C.G. van Leeuwen in de jaren 1960 een beheersmodel dat bekend werd als de relatietheorie. Kern hiervan was dat de diversiteit aan soorten in een gebied vergroot kan worden door te zorgen voor 'diversiteit in de ruimte' en 'stabiliteit in de tijd'. Dat wil zeggen: het beheer moest verschillend zijn in verschillende delen van een gebied, maar door de tijd heen steeds hetzelfde in elk deel afzonderlijk. Verder nam het model aan dat elke plantensoort een specifieke constellatie van milieufactoren nodig heeft om te kunnen groeien; een zeldzame soort was dus een aanwijzing voor een zeldzame combinatie van milieufactoren. Ten slotte werden grensgebieden belangrijk geacht voor natuurbeheerders: hoe geleidelijker de overgang tussen de milieufactoren van twee verschillende gebieden verliep, des te soortenrijker de vegetatie in het grensgebied.
De planningsgedachte stond ook centraal in het door Westhoff energiek gesteunde initiatief om alle Nederlandse landschappen te gaan waarderen naar ecologische kwaliteit. Dit zou door plantensociologen gedaan moeten worden en de grondslag moeten leveren voor de lange-termijnplanning van het natuurbehoud. Midden jaren zeventig werd hiertoe de oprichting van een Centrum voor Milieukartering voorbereid. Maar toen manifesteerden zich tegenkrachten. Critici - onder wie biologen verenigd in de Werkgroep Kritische Biologen - noemden de plannen technocratisch en ondemocratisch. Het resultaat zou zijn, stelde men, dat alle natuur die niet op de lijst van de deskundigen stond vogelvrij werd. Bovendien werd geen rekening gehouden met de wensen van de burger, voor wie ook plantensociologisch oninteressante gebieden veel aantrekkelijks konden hebben. De critici kregen hun zin; het beoogde Centrum kwam er niet, tot Westhoffs grote teleurstelling.
Hoewel in Westhoffs natuurbeheervisie de wetenschap een hoofdrol speelde, stond hij toch ambivalent tegenover de invloed van de wetenschap. Door de prioriteit die in de jaren vijftig aan rationalisering van de landbouw, wegenbouw en industrialisering werd gegeven, verloren natuurbeschermers hun greep op de inrichting van Nederland. De natuur kwam steeds meer in het nauw. Westhoff zag enerzijds de economische ontwikkeling als onvermijdelijk, maar werd anderzijds steeds bezorgder over de gevolgen. In een bijtend artikel, 'De zwarte adem' (De Levende Natuur 62 (1959) 106-114), stelden hij en zijn medeauteur Chris Van Leeuwen de verwoesting van de natuur aan de kaak. Het tekent echter zijn ambivalentie dat hij de oplossing toch weer in de wetenschap zocht. Wetenschappelijk natuurbehoud kon - in cybernetische termen - worden gezien als een feedback-mechanisme: het was een tegenkracht tegen de vervlakking en vernietiging die landbouw en industrialisering meebrachten. Maar Westhoff had zijn bedenkingen tegen het geloof in de 'maakbaarheid' van de natuur dat vanaf de late jaren zeventig veld won onder natuurbeschermers: daarvoor waren natuurlijke processen zijn inziens te complex.
Westhoffs persoonlijke natuurvisie weerspiegelde zijn wetenschappelijke inzichten. Al begin jaren veertig was hij, na lezing van de roman Mipam: de lama der vijf wijsheden van Lama Yongden, tot het inzicht gekomen dat hij boeddhist was: hij herkende zich in de opvatting dat alle levende wezens met respect en mededogen bejegend dienen te worden. Daarentegen zag hij het christendom als een bedreiging voor de natuur, omdat het de mens zijns inziens als een heerser boven de natuur stelde. Tot in de 19de eeuw had de mens volgens Westhoff in harmonie met zijn natuurlijke omgeving geleefd, en daarvan waren de Nederlandse natuurgebieden het resultaat. Natuurbeheer was er om die harmonie te bewaren. Zijn band met de natuur drukte Westhoff ook uit in poëzie. Van zijn hand zouden in de loop der jaren drie dichtbundels verschijnen: Levend barnsteen (1945), Hartgespan (1989) en Peregrinatio. Kwatrijnen (1995). Ook publiceerde hij talloze populaire geschriften, waaronder het - met meer dan 160.000 verkochte exemplaren - ongekend succesrijke Wilde planten. Flora en vegetatie in onze natuurgebieden, een driedelig werk dat hij in 1970-1973 met enkele medeauteurs publiceerde. Naast de natuur overal ter wereld en poëzie hadden muziek - met name Mozart - , het werk van de Britse schrijver J.R.R. Tolkien, de psychoanalyse - hij ging zelf in analyse - en de Ierse cultuur Westhoffs warme belangstelling.
In 1981 ging Westhoff met emeritaat, maar hij bleef onverminderd actief. Zo was hij een van de auteurs van het vijfdelige, tussen 1995 en 1999 verschenen De vegetatie van Nederland. Westhoff overleed op 84-jarige leeftijd in 2001 als gevolg van een verkeersongeluk.
Victor Westhoff was een van de grondleggers van de Nederlandse natuurbescherming en tot zijn dood een invloedrijk deskundige op dat gebied. Zijn concept van het halfnatuurlijke landschap is een kernbegrip binnen de Nederlandse natuurbescherming geworden. Onder zijn opvolgers ontwikkelde de plantensociologie - onder Westhoff vooral beschrijvend van aard - zich meer in experimenteel-ecologische richting.
A: Archief-V. Westhoff in het Noord-Hollands Archief te Haarlem. Bescheiden in het archief van de Heimans en Thijsse Stichting te Amsterdam.
P: Een overzicht van publicaties in: M.J Goris [e.a.], Bibliografie Victor Westhoff met een beschrijving van en een keuze uit zijn werk (Schuren 1991).
L: Behalve necrologieën o.a. door J.H.J. Schaminée, in Stratiotes 22 (2001) 3-7; door E.J. Weeda, in Gorteria 27 (2001) 73-79; door M.J.A. Werger en H.F. Linskens, in Levensberichten en herdenkingen [der] Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 2002 (Amsterdam 2002) 121-132: P.A. Bakker, 'Een leven in dienst van het natuurbehoud', in De Levende Natuur 88 (1987) 22-28; interview door Herman Passchier, ibidem 88 (1987) 42-50; 'Victor Westhoff over zichzelf', in Victor Westhoff, een leven in meervoud… Onder red. van H.G.J.M. van der Hagen (Voorburg 1993) 25-81; H.J. van der Wind, En dan: wat is natuur nog in dit land? Natuurbescherming in Nederland, 1880-1990 (Amsterdam 1995); interview in Vruchtbare Aarde (1998) nr. 4; J.H.J. Schaminée en R. van 't Veer, 'Victor Westhoff, zestig jaar lang opnamen maken', in idem, 100 jaar op de knieën. De geschiedenis van de plantensociologie in Nederland (Noordwolde 2000) 36-43; J.H.J. Schaminée, Beelden in de natuur. Ter nagedachtenis aan Victor Westhoff (Utrecht 2003); M.J. Coesèl-Wouda [e.a.], De natuur als bondgenoot: de wereld van Heimans en Thijsse in historisch perspectief (Zeist 2007).
I: ...
B. Theunissen
Biografisch Woordenboek van Nederland