Allard Pierson

Geslacht: Man
Vader: Jan Lodewijk Gregory Pierson
Moeder: Ida Oijens
Geboren: 8 Apr 1831 Amsterdam
Overleden: 27 MEI 1896 Lochem
Beroep: Waals predikant, hoogleraar
Aantekeningen: PIERSON, ALLARD, * Amsterdam 8 apr. 1831, t Laren (G.) 27 mei 1896. Zn. van Jan Lodewijk Gregory Pierson, koopman, en Ida Oyens. Stud. theol. Utrecht 1849; dr. theol. 1854. Evangelisatiepred. Leuven 1854, Waals pred. Rotterdam 1857. Na eervol ontslag 1865 verhuisd naar Rohrbach. Privaat-docent Heidelberg 1869, buitengewoon hoogleraar historische theologie Heidelberg 1870-1874 (verhuisd naar Utrecht). Hoogleraar aesthetica, kunstgeschiedenis en moderne talen Amsterdam 1877-1895. P. huwde op23febr. 1854 met Pauline Hermine Elisabeth Gildemeester (1831-1900).
Elke levensbeschrijving van P. moet ontoereikend blijven. Zijn meer dan honderd geschriften tonen het universele van zijn kennis, zijn met de jaren gegroeid esthetisch meesterschap over de taal, zijn vermogen zich in te leven, alsmede zijn vooruitziende visie op uitdagingen als secularisatie en socialisme. Hij heeft contact, merendeels overigens van polemische aard, gehad met alle vooraanstaande Ned. theologen uit de tweede helft van de 19e eeuw. Zijn ontwikkelingsgang toont een duidelijke lijn, maar is toch niet op één noemer te brengen. In zijn roman Adriaan de Mérival (1866) heeft P. een aantal mensen getekend van wie geldt dat hij in elk van hen enigszins te herkennen is.
De sfeer in het ouderlijk huis is ons bekend uit P.s meesterwerk Oudere tijdgenooten (1888). Huisvriend was Is. da Costa, over wie P. zijn leven lang is blijven schrijven (verg. o.a. Is. da Costa. Eene gedenkrede, 1865). Vragen en twijfel aan de „orthodoxie des harten" kwamen nog niet op, wel soms angst („Het Piëtisme is niet voor kinderen gemaakt"). Tijdens zijn studententijd kwam P. onder het beslag van de ideeënwereld van C. W. Opzoomer en diens religieus geladen empirisme. In Bespiegeling, gezag en ervaring (1855) heeft P. zich rekenschap gegeven van zijn toenmalige positie: voor het verkrijgen van zekerheid zijn noch de bespiegelende noch de autoritaire theologie afdoende omdat zij de mens als individu en de hem omringende werkelijkheid miskennen. De enige weg ligt in de empirische methode, een zelfstandig tot „eigendom onzer natuur" verwerkte ervaring, die weet van schiften en scheiden, abstraheren en combineren. Tegenover het verwijt dat de empirie tot materialisme zou leiden wees P. op zijn boeken; tegenover het bezwaar dat zij de traditie van de kerk geweld aandeed verdedigde P. dat juist de empirie garant staat voor het voortbestaan van theologie en prediking in een tijd die de natuurwetenschappelijke revolutie had ondergaan. De overgang van re veil vroomheid naar deze „wijsbegeerte den mensch met zichzelf verzoenende" was radicaal, maar betekende toch geen breuk. Ook hier bleef de relevantie van gevoel en emotie, van hartstocht („der werkelijkheid") en kunstzinnig vermogen. Voor P. werd, naast kritische zin, de „artistieke waardeering" steeds meer de as waarom ons geestelijk leven zich beweegt: „kritiek" is de rusteloze twijfel, de zelfstandigheid, de ratio, de stimulans voor onderzoek; „waardeering" de rust van het eenswillend zijn met de werkelijkheid, de bezieling. Van Opzoomer heeft P. geleerd wetenschap en kunst in één liefde te omvatten.
Hij werkte voort, in de mening dat het mogelijk zou zijn de „antieke" theologie tot „moderne" te vernieuwen. Met hart en ziel is hij predikant in Leuven geweest. Hij kon zich hier ontplooien en vrijuit studeren - zijn vierdelige Geschiedenis van het Roomsch-katholicisme tot op het Concilie van Trente (1868-1872) is er het resultaat van. - De herinnering aan zijn predikantswerk heeft hij vastgelegd in Intimis (1861) , een omwerking van het geromantiseerde Een pastorij in den vreemde (1857). Het contact met Nederland bleef, o.a. door collectereizen en daarbij behorende preekbeurten, ten bate van zijn Belgische gemeente. Predikant te Rotterdam geworden polemiseerde hij o.m. met J. I. Doedes die zich tegenover de „gekortwiekte ervaring" van P. beriep op „de ervaring der eeuwen". Hij werkte zijn visie uit in De oorsprong der moderne rigting (1862) . P. poneerde dat historisch onderzoek alleen mogelijk is wanneer wij uitgaan van het bekende, dus van onze huidige ervaring - hetgeen voor hem betekende: de natuurwetenschap met haar methoden en resultaten - en dan het onderscheid tussen waarneming en ervaring in het oog houden. „Ervaring" is een waarneming die met andere is vergeleken en in verband gebracht. P. kwam steeds meer tot „begrip van Gods immanentie", Christus werd voor hem de heilsfiguur achter, niet in de Evangeliën. Wie Jezus geweest was, werd hem tamelijk onverschillig, - dat was niet veel meer dan een historisch-kritische kwestie. Godsdienstigheid, geloof in Christus, kan niet „van buitenaf' verkregen worden.
P. wilde door middel van de moderne theologie een zuiveringsproces op gang brengen dat niet brak met de traditie, maar met het gezag daarvan. Voor hem was het „moderne bewustzijn" niet godsdienstig, maar „natuurlijk". Een orthodoxie die zich beroept op „het apostolisch christendom" maakt het zich te gemakkelijk. Hetgeen de apostelen gemeenschappelijk bezaten is van weinig waarde; Paulus, Petrus en Johannes hebben invloed uitgeoefend juist door hun individuele opvattingen van de goddelijke waarheid die hun in Jezus geopenbaard werd. In Rigting en leven (1863) analyseerde P. scherp de orthodoxe dogmatische opvattingen. Het leidde tot een polemiek met o.m. zijn Rotterdamse collegae M. Cohen Stuart en D. Chantepie de la Saussaye. In zijn geschrift Onverdraagzaamheid (1864) ging P. in tegen de „onnoozele, goedgeloovige, al te vertrouwende gemeente", die om de tuin geleid werd. Toen zijn opponenten hem onrecht tegenover de orthodoxie verweten, repliceerde P. dat dit geenszins zijn bedoeling was en hij zich slechts wilde keren tegen hetgeen in kerk en theologie onwaarachtig en ridicuul was. Saussaye schreef o.a. De strijd der gemeente, waarin hij de gelovigen opriep te kiezen tussen de Christus van Israël en de natuurlijke Jezus van de moderne theologie. Hij beschuldigde P. ervan, een kinderlijke logica te volgen die de Heer der wonderen plaatste onder de menselijke empirie. P. protesteerde evenzeer en wel in toenemende mate tegen onverdraagzaamheid aan moderne zijde, die meende in hem haar woordvoerder te hebben gevonden. In 1869 (19 febr.) schreef hij zelfs zijn boezemvriend en zwager A. Gildemeester (met wie hij zijn leven lang in correspondentie is geweest) dat hij de onverdraagzaamheid van de orthodoxen als niets achtte vergeleken met die der liberalen.
Nadat hij reeds jaren met de gedachte gespeeld had (zoals blijkt uit een brief aan zijn vrouw, 24 mei 1860), legde P. in 1865 zijn predikantschap neer, na tot het inzicht gekomen te zijn, dat radicale eerlijkheid nodig was, binnen de kerk waar de Jezus Christus die zondaren kwam redden centraal staat. P. koos voor een Christus die inspireert tot een „nieuw heroëndom" en zag in, zo de officiële kerk niet meer te kunnen blijven dienen. Hij wilde zich onbelemmerd, via studie en publikaties, kunnen wijden aan de opbouw van een levensbeschouwing die waarlijk humaan zou zijn en de toets van de wetenschappelijke kritiek zou kunnen verdragen. Een bewogen oproep tot humanisme, met zicht op een mensheid die „hooger is dan de christenheid", is zijn geschrift Dr. Pierson aan zijne laatste gemeente (1865). P. wilde af van elk clericalisme; een waarlijk „moderne" mag geen geestelijke stand willen, ook deze bestaat immers uit mensen die onderzoeken en strijden en „aangaande het bovenzinnelijke" niets meer weten dan wie ook: zij mogen onder deze omstandigheden een gemeente niet zegenen.
Maar tevens was zijn abdicatie gericht tegen de moderne theologie zelf. K. H . Roessingh heeft in P.s beslissing dan ook de afsluiting gezien van de „eerste periode" der moderne theologie, die op een tweesprong stond en tot een keuze genoopt moest worden. De verzoening tussen wetenschap en christendom binnen het modernisme was halfslachtig.
De meeste moderne theologen weigerden zijn voorbeeld te volgen. Woordvoerder was A. Reville (Nous maintiendrons); P. deed dit af als „vroom en gemoedelijk geleuter". Zelf vertrok hij naar Heidelberg (Rohrbach). Hij wilde trachten daar helemaal opnieuw te beginnen.
Daarmee nam P. geenszins afscheid van het chr. geloof, zelfs niet van de orthodoxie. Speciaal in brieven komt zijn geloof uit. Hij zocht leven, groei, dynamiek, waarheid. Nu komt ook in al zijn arbeid steeds meer beweging, verrassing; zijn stijl wordt steeds meer lucide én gespannen.
Hij had er behoefte aan, in gesprek te treden met onze „geestelijke voorouders", wegens hun visie op waarheid. Opmerkelijk is hoe hij gestudeerd en geschreven heeft over de profeten van Israël, die hij in één verband zag met Spinoza, Shakespeare en Goethe. Dat hij daarbij een o.t.icus als A. Kuenen tegen zich kreeg, schokte hem niet in zijn overtuiging. Het was de „onordentelijkheid" van de profeten die hem boeide en waarvan hij geloofde dat ze uit God was. „Er is geen conflict tusschen het goede en het natuurlijke", schreef hij in zijn Dagboek 5 mrt. 1877: „De omgang met Jahweh die ik door de profeten geniet, heeft mij in al de vooroordeelen die als schimmelplanten gedurig op mijn geest groeien, heilzaam gebouleverseerd, die Jahweh zal de Kuenens verdelgen". Grote mensen boeiden hem. Zo heeft hij, veelal in G, geschreven over de
Griekse tragici, Aristoteles, Corneille, Dante, Goethe, Hamann en vele anderen. De meeste opstellen zijn bijeengebracht in de Verspreide geschriften. Alles wat maar artistiek was - dat kon ook een dogmatisch systeem zijn - trok hem aan. In zijn gedichten, o.a. gepubliceerd in 1882, heeft P. zijn idealen uitgezongen. Voor zijn kinderen schreef hij „Zondagsliederen". Hij vraagt zijn lezers, geen afgerond systeem van hem te vergen; wél een opvatting der dingen die „geëleveerd" is, omdat dan God benaderd wordt. In 1870 schreef hij Gildemeester: ,,Ik geloof van ganscher harte dat de mensch van Gods geslacht is, ik voel telkens een straal van het goddelijke die ons allen zoo'n warme tint geeft dat ik veel moet liefhebben"; in 1872: „Vrije genade, verzoening door lijden, het verachten der wereld en van 'het uitverkorene Gods' - dat zijn de waarheden waarin ik van ganscher harte geloof, omdat ik het 't verstandigste
vind wat over de menschelijke dingen gezegd kan worden."
Dogmatisme te schokken zag hij als zijn levenstaak. Zijn levenshouding was een ,,van kunstmin doortrokken agnosticisme". Voor hem spreken zowel de theïst als de atheïst over zaken waar men niets van weet. In zijn Utrechtse jaren trok P. de consequentie uitzijn breuk met de ideeënwereld van zijn ouderlijk huis. Hij bad het Onze Vader niet meer. Wat bleef was de esthetica: P. werd in Nederland op dit terrein de primus inter pares. Tijdens zijn hoogleraarschap vanaf 1877 heeft hij zich een naam verworven als homo universalis. Zijn boeken Geestelijke voorouders (1887-1893) zijn een groot epos der humaniteit. Hij voltooide (I) Israël en (II) Hellas; (III) Het Hellenisme is (na de eerste aflevering van P.s hand) voortgezet door K. Kuiper. Zijn Studiën over Joh. Kalvijn (1881-1891) berusten op grondige studie van de Opera van Calvijn en de door A. L. Herminjard uitg. Correspondance des reformateurs; hij hoopte er de V.U. een dienst mee te bewijzen. Zijn verdiensten zijn gehonoreerd in de naam van het archeologisch-historisch instituut van de Universiteit van Amsterdam (Allard Pierson Stichting).
Op politiek terrein gingen zijn ogen steeds meer open voor het socialisme. „Het socialisme is het Réveil van dezen tijd; dat waar het op moet uitloopen. Dat had ik destijds moeten begrijpen" (aan Gildemeester 30 aug. 1888). In zijn redevoering Een schrede voorwaarts (1889) betoogde P. dat de mensheid opgeklommen is van menslievendheid naar menselijkheid en er sprake kon zijn van een „evangelie voor de onterfden".
Daarbij keerde P. in toenemende mate op een bepaalde wijze naar de sfeer van het reveil terug. Uiteraard had hij fundamentele kritiek. De Bijbel heeft in het reveil een p'aats ingenomen waarvan P. opmerkt dat ze vreemd onzakelijk is. Voor het goedkope piëtisme van evangelisten als Moody heeft P. geen goed woord overgehad (G, 1875). Maar de spiritualiteit van de reveil-figuren was van dien aard dat dezelfde P. schrijven kon, geen andere „geslachtsboom te wenschen" dan zulke „bespotte vromen".
Slechts enkele jaren na zijn gedenkrede op Da Costa publiceerde P. Willem de Clercq naar zijn Dagboek (1870-1873), samengesteld uit de vele particuliere aantekeningen die De Clercq had nagelaten. In het boek gaat het om P.s tekening; het is dan ook niet onbegrijpelijk dat de familie De Clercq niet helemaal gelukkig is geweest met de selectie en de tweede en derde druk gereviseerd is „met medewerking van De Clercqs jongste kleindochter". P. heeft zich geconcentreerd op de gevoelsmens, de vrome, de extaticus. In het reveil heeft het P. geboeid dat het verstand geenszins de toegang was tot het beste in de mens. Slechts één vraag geldt: of innerlijke waarheid aanwezig is. Sedert de waarheid ons ontsnapt, is alleen waarheid in de zin van louterheid na te streven. Het tegenovergestelde van waarheid is niet huichelarij, maar halfheid, innerlijke verdeeldheid. Hij is waar, bij wie alles menens is.
Scherp is P. ingegaan tegen Kollewijns Bilderdijk (1891) en Wagenaars Het Réveil en de Afscheiding (1881). Hun boeken tonen een „boekhoudersmentaliteit" die in een wetenschappelijk werk even onmisbaar als ten enenmale onvoldoende is.
Iets dat P. eveneens heeft getroffen bij de „oudere tijdgenoten" is het feit dat zij, bij alle verschil van opinie, ja onder het lijden door dat zij elkaar soms aandeden, elkaar nooit verketterden. Via zijn geschriften over het reveil is P. in gesprek gebleven met zijn verleden niet alleen, maar allereerst ook met zijn hunkering naar waarheid, naar geloof in God. Daarbij mag hij soms, dichterlijk van structuur als hij was, bepaalde figuren niet geheel juist, zeker onvolledig, getekend hebben - hij heeft toch aspecten van hen getoond die door andere biografen niet zijn gezien.
P. heeft voor zijn ontwikkelingsgang veel te danken gehad aan P. A . de Génestet, met wie hij reeds in zijn jeugd bevriend was, en aan Cd. Busken Huet die al in 1858 bij hem kwam logeren, om wie hij een breuk met zijn moeder heeft geriskeerd, voor wie hij een eredoctoraat aan de Universiteit van Amsterdam heeft getracht te verkrijgen en wiens biografie hij had willen schrijven als hij langer had mogen leven. Kritische waardering, over en weer, is er geweest tussen P. en J . H . Gunning Jr. Gunning oordeelde dat hij wat intellect betrof tegenover P. stond als dagloner tegenover vorst, maar toch werd naar zijn mening P. „misleid" door zijn esthetiek, zijn „hellenisme". „Maar het is uwe eere, mijn Allard, en dat zal de eere blijven, dat gij durft inconsequent te zijn".
Geschr.: Zie de bibliografie in: Boersema, a.w., 482-494. Voorts: Oudere tijdgenooten, 4e dr., uitg. door P. L. Schram, Amst. 1982.
Hss.: Zie A. P.. Oudere tijdgenooten, 4e dr., 274.
Li t.: K. H. Boersema, A. P. Eene cultuurhistorische studie, 's-Grav. 1924. - Zie voorts de bibliografie in A. P., Oudere tijdgenooten, 4e dr., 268-274. - NNBW, III. - DR, nr. 529-537.
P. L. SCHRAM
Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme, deel 2

Gezin 1

Huwelijkspartner: Pauline Hermine Elisabeth Gildemeester geb. 7 MRT 1831 overl. 6 Sept 1900
Huwelijk: 23 Feb 1854 Amsterdam
Kinderen:
  Johanna Maria Pierson Male geb. 25 OKT 1861 overl. 20 MRT 1927
  Lina Eudia Pierson Male geb. 26 OKT 1859 overl. 29 Nov 1951
  Jan Lodewijk Pierson Male geb. 12 Dec 1854 overl. 6 Nov 1944
  Henri Daniel Pierson Male geb. 7 Nov 1856 overl. 22 Apr 1943
  Gerrit Hendrik Pierson Male geb. 8 Nov 1858 overl. 3 Dec 1858
  Ida Pierson Male geb. 23 Jan 1864 overl. 4 Jan 1957
  Adriana Margaretha Pierson Male geb. 15 Feb 1866 overl. 28 Aug 1946